De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hoever gaat dat?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoever gaat dat?

6 minuten leestijd

Als de Overheid, zooals dat behoort in het Christenland, in het land, waarin het Evangelie over het heidendom heeft gezegevierd, den God der Schriften in erkentenis houdt en haar ambt als Gods dienaresse gehouden is te vervullen, hoever strekt zich dan de openbare religie uit ?

Over de erkenning van de vrijheid, waardigheid en autoriteit der kerk, en over den plicht der Overheid haar te beschermen en den weg des Evangelies vrij te houden, spreken wij niet, omdat het voor zich zelf spreekt. De Overheid kan den God der Schriften niet erkennen en Zijn kerk in den weg staan. Sommigen gaan zoover, dat zij de Overheid ook als voedsterheer van de kerk willen zien. Mogelijk zouden er in eenig land omstandigheden kunnen zijn, waarin dit althans voor een tijd zonder gevaar voor de vrijheid en zelfstandigheid der kerk zou kunnen. Zelfs voor hen, die dit als ideaal willen stellen blijft het hooge uitzomdering, maar in het algemeen verdient dit geen aanbeveling en dient dit niet te worden nagestreefd.

Wij bepalen ons echter niet in de eerste plaats tot de verhouding van Overheid en kerk, maar tot die van Overheid en den godsdienst.

En dan vragen wij, hoever strekt zich dat uit ? Hoever gaat de openbare religie ? Dat valt niet zoo gemakkelijk te zeggen en dat is ook in alle omstandigheden en in alle tijden niet gelijk.

Beginnen wij maar eens bij het begin, d.i. in het heidenland, waar het Evangelie begint hier en daar ingang te vinden. Gewoonlijk zal de jonge gemeente dan worden vervolgd en in schuilhoeken een toevlucht zoeken.

Eindelijk neemt de gemeente in kracht en getal, zelfs onder de verdrukking toe, zoodat de Overheid haar oogluikend toelaat.

Nog een stadium verder wordt haar invloed op het openbare leven zoó groot, dat men haar geestelijk overwicht niet meer kan weerstaan. Het openbare leven neemt Christelijke vormen aan. Het heidendom trekt zich terug en wordt uit het openbare leven allengs teruggedrongen.

Zoo kan men voortgaan en onderstellen, dat het volk als geheel en in zijn leden gekerstend is, ja, men kan de onderstelling wagen, dat het volk als geheel bij de kerk is ingelijfd. Het is slechts een gewaagde onderstelling, maar in dit geval zouden de openbare religie en de kerkelijke belijdenis elkander geheel dekken. Alle staatsburgers waren belijdende leden der Kerk. De openbare religie strekte zich evenver uit als het kerkelijk geloof. Zelfs in den besten tijd van Geneve heeft zulk een ideaal slechts een schaduw van verwezenlijking gevonden. Ook onze gouden eeuw was daarvan verre verwijderd.

Men wachte zich dan ook wel, zulk een toestand als politiek ideaal te stellen, hetgeen reeds op den aard en het wezen der kerk zelf moet afstuiten en geen oog heeft voor de werkelijkheid, zooals die ook in het licht van Gods Woord verschijnt.

Dergelijke idealen zijn voor sommigen wel aantrekkelijk, maar berusten toch op een, zij het ook vergeeflijken, toch ongemotiveerden wensch, of — en misschien ook en — op een verkeerd theologisch inzicht. De kerk is openbaring van het lichaam van Christus en dat is de staat niet — al is het denkbaar, dat kerk en staat als tweeërlei gemeenschapsvorm saamvallen. Maar ook dan blijven zij principieel onderscheiden.

De Overheid vindt haar grond in het ouderlijk gezag en derhalve in de scheppingsorde, de kerk in de orde der verlossing. En bet is van belang, deze wel te onderscheiden. Een andere is de verhouding van den mensch tot God den Schepper, een andere die van den verkorene, die God tot een Vader in Christus heeft.

Het Overheidsambt staat in de eerste betrekking, de kerk in de tweede, hetgeen de eerste niet uitsluit, maar verdiept. Krachtens het schepsel zijn alle menschen volstrekt afhankelijk van den Schepper van hemel en aarde en krachtens zijn schepping naar den beelde Gods is de mensch geroepen en gehouden God, den allerhoogsten Souverein, te eeren en te dienen. Het gevoel van absolute afhankelijkheid, ook wel creatuurgevoel genaamd, zegt hem dat en het werk der Wet spreekt hem in zijn geweten aan.

En, waar nu de Overheid het zwaard in de hand is gegeven om der zonde wil, dat is om de zonde te beteugelen en gerechtigheid te handhaven, opdat een geordende saamleving mogelijk zij, is zij uit den aard der zaak naar de norm der goddelijke zede wet aangewezen. Dit is haar eerste taak, een taak, welke haar tegendeel, steunvlak en gezagsgrond vindt in de werking der algemeene openbaring.

Wij willen niet beweren, dat de Overheidstaak hierin opgaat, maar het is de fundamenteele voorwaarde voor een gezegend en vruchtbaar regeeringsbeleid. Dat beleid omvat nog veel meer. Ook de sociale zorg, opdat ieder uit zijn arbeid leve. Maar juist daartoe is een zoodanige orde der saamleving noodig, waarin de waarborg der persoonlijke vrijheid in de gebondenheid der goddelijke zedewet is gegeven.

Zonder beding komen wij dan ook op voor de beide tafelen der Wet als norm voor het openbare leven. De Overheid heeft wel degelijk naar dedaarin gegeven norm op haar terrein over de religie te waken, geen afgoderij of godslastering toe te laten en alles te bevorderen wat tot heiliging van den Sabbath dienstbaar kan zijn.

Uitteraard gaat haar zorg over het openbare leven, dat wil zeggen over het terrein der Overheid. Dit houde men wel voor oogen, want het ontbreekt niet aan menschen, die aan de Overheid zouden willen opdragen om het kerkelijk vraagstuk eens in orde te brengen en dat wel naar hun particulier inzicht.

Men vergete echter niet, dat de Overheid ook de vrijheid der kerk heeft te eerbiedigen en geen recht in geestelijke zaken heeft. Wie deze onderscheiding uit het oog verliest, loopt gevaar van de Overheid te eischen, wat zij niet doen kan, en verwarring te stichten.

Niet allen zullen zelfs aan de eerste tafel der Wet een functie voor het openbare leven toeschrijven. Vele theologen willen de ethiek beperken tot den omgang en de verhouding van mensch tot mensch en dus tot de tweede tafel beperken. In dat licht zou de Overheid dus met de eerste tafel niets van doen hebben. Wij achten die redeneering onjuist, wijl onschriftuurlijk. Het zedelijk leven wortelt in de religie, gelijk ook de verhouding van den mensch tot God van religieus-zedelijken aard is. Zij wordt door geloof en geloofsgehoorzaamheid bepaald. Uit dien hoofde behoort de eerste tafel der Wet tot de zedewet en naar den eisch der Schrift is een iegelijk schuldig deze geboden te houden.

Deze dingen kunnen dan ook slechts worden afgewezen door de tegenstanders der Christelijke religie en door de voorstanders van een liberalisme, dat zich van de norm der zedewet wil vrij maken en daarin het wezen van het libertijnsche standpunt verraadt. Wie uit een theologische levensbeschouwing leeft, die zich aan de Heilige Schrift houdt, kan tegen het ingenomen standpunt geen bezwaar maken. En het ligt op onzen weg om de verwezenlijking van zulk een Christelijke levensorde na te streven en den libertijnschen geest te weerstaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Hoever gaat dat?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's