MEDITATIE
Als een schaap, dat stom is......
Doch Jezus zweeg stil. Mattheüs 26 vs. 63a.
Bij den voortgang op den weg naar het kruis, neemt de verlatenheid, waarin Christus dezen weg bewandelen moet, steeds toe. In de zaal, waar Hij met Zijn jongeren het Pascha gegeten heeft, werd Judas als de verrader aangewezen en daar maakte deze zich uit den kring der discipelen los. In den hof van Gethsémané hebben Petrus en de twee anderen, die Hij met Zich genomen had, zelfs niet één uur met Hem kunnen waken. En wanneer de gezondenen van den Joodschen Raad de handen aan Hem slaan, zijn alle discipelen. Hem verlatende, gevlucht. Verraden, verlaten staat Christus dan voor het in allerijl samengekomen Sanhedrin en terwijl Hij daar voor dien Hem zoo vijandig gezinden Raad staat, wordt Hij door Petrus, die tenminste nog van verre gevolgd is om het einde te zien, verloochend, zoodra de erkenning van de gemeenschap met Christus voor Petrus zelf gevaarvol begint te worden. Zoo staat de Heere dan voor hen, die meenen Zijn rechters te kunnen zijn. Alléén moest Hij deze pers treden.
En was er nu nog maar recht te vinden geweest! Het is echter dien Raad van-tevoren al om Zijn dood te doen. Kajafas, die krachtens zijn hoogepriesterlijk ambt, de leiding bij dit onderzoek van ouderlingen en schriftgeleerden heeft, sprak het immers tevoren al uit, dat het nut was, dat één mensch zou sterven voor heel het volk, opdat niet het geheele volk verloren zou gaan. En daarom zetten zij zich nu niet neer om recht te doen, maar met de vooropgezette bedoeling zich van dezen Jezus te ontdoen. Daartoe zoeken zij valsche getuigenis tegen Christus, opdat zij Hem altharts onder den schijn van recht ter dood kunnen brengen. Evenwel vinden zij, hoewel er vele valsche getuigen zijn opgekomen, niets, totdat er tenslotte twee getuigenissen van gelijke strekking gegeven worden. Jezus zou gezegd hebben: Ik kan den tempel Gods afbreken en in drie dagen weer opbouwen. Och, ge weet wel, dat de Heere dit nimmer zóó gezegd heeft, want toen Hij dit sprak, doelde Hij niet op den tempel, die met handen gemaakt wordt, maar Hij zeide dit van den tempel Zijns lichaams, dat door den dood verbroken zou worden, maar waarin Hij na drie dagen weer zou opstaan. Nochtans is deze beschuldiging, dat Hij tegen den tempel gesproken zou hebben, voor de leidslieden van het volk meer dan genoeg om den Christus uit te stooten en in een kwalijk anders dan geveinsd te noemen verontwaardiging barst de Hoogepriester uit: Antwoordt Gij niets, wat getuigen dezen tegen U ?
Hoe bitter moet deze teug uit den lijdensbeker den Heere gesmaakt hebben ! Het moet toch Zijn ziel gewond hebben, dat Hij, Die het land doorging goed en goeddoende, nu als een misdadiger wordt gerekend. En wat moet het Hem, Die nooit anders dan der waarheid getuigenis heeft gegeven, gepijnigd hebben, dat men tegen Hem valsche getuigen aanvoert, omdat de waarheid nu eenmaal niet tegen de Waarheid getuigen kan. En hoe moet het Hem gegriefd hebben, wanneer Kajafas tenslotte een eed van Hem eischt en daarmede dus Hem, uit Wiens mond nimmer bedrog gekomen is, op één lijn stelt met hen, die leugenen spreken. Maar het meest smartelijke is dit, dat Hij in dit woord, dat nu als beschuldiging tegen Hem aangevoerd wordt, sprak als de hoogste Profeet en Leeraar, Die ons den verborgen raad en wille Gods van onze verlossing volkomen openbaart en dat Hij juist in die profetische bediening miskend wordt en wel door hen, van wien Hij de erkenning van die werkzaamheid toch wel in de eerste plaats mocht verwachten. Want de mannen, die daar als rechters zitten, hebben toch de Schriften, die van Hem getuigen, en zij zijn, als leidslieden van het volk, dat de Heere Zich verkoren heeft, toch geroepen als eersten den Christus te begroeten als den Profeet, Dien God uit het midden hunner broederen zou verwekken. Zoo komt Christus hier tot het Zijne, maar de Zijnen nemen Hem niet aan.
En wat doet Christus, nu Hem dit grove onrecht aangedaan wordt en de smartelijkste bejegeningen Zijn deel worden ? Wat, nu Hij als hoogste Profeet en Leeraar wordt verworpen door hen, die Hem 't eerst zouden moeten aannemen ? Hij zwijgt stil en vervult zoo de profetie van Jesaja, dat Hij als een lam ter slachting zou worden geleid, als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders. Wat Hem ook aangedaan wordt en hoezeer dit gebeuren Hem ook smart. Hij doet den mond niet open. Hij blijft zwijgen, ook al dwingt de hoogepriester Hem te spreken.
Ge meent toch niet dat het is, omdat het wederwoord Hem zou ontbreken ; of, omdat het spreken hier toch niet gebaat zou hebben ? Neen, hier zwijgt Christus, omdat het Hem nu van den Vader gezet is het woord, dat Hij als hoogste Profeet en Leeraar sprak, als de eenige Hoogepriester te vervullen in de offerande Zijns lichaams. Hij blijft stemmeloos, omdat Hij den drinkbeker, dien de Vader Hem te drinken geeft, ook tot den laatsten druppel begeert te ledigen. Daarom is het nu niet meer de tijd om te spreken, maar wil Hij het woord, dat de Vader Hem gaf te spreken, alleen nog maar v/aar maken door Zich te laten verbreken. Zoo is Hij in dit zwijgen gewillig tot den dood. Gelijk Hij Zich straks ook in Zijn spreken even gewillig betoont: gij hebt het gezegd. Ik ben de Christus, de Zoon des levenden Gods.
Dit zwijgen van Christus is zwijgen als Borg en Middelaar dergenen, die Zijn verschijning in onverderfelijkheid liefhebben. Gewillig neemt Hij, Die geen zonde gekend of gedaan heeft, den last van den toorn Gods tegen de zonde voor hen op, opdat zij vergeving van zonden en het eeuwige leven door Hem zouden hebben. En straks bewaart Hij hen, die Hij door die eenige offerande geheiligd heeft, bij de verworven verlossing, doordat Hij hen als hun eeuwige Koning door Zijn Woord en Geest regeert.
Voor den natuurlijken mensch is deze Christus, Die zwijgt, waar het toch verstandig geweest zou zijn om te spreken, een dwaasheid. De vrome mensch vraagt Hem: antwoordt Gij niets ? Wat getuigen dezen tegen U ? Hij, Die zweeg, waar ieder mensch gesproken zou hebben, is dezen tot een ergernis. Maar indien Woord en Geest ons daaraan ontdekt hebben, dat wij eens in het oordeel wel zouden willen spreken, maar het dan niet kunnen, omdat we op duizend vragen van Gods zijde geen énkel antwoord hebben, wordt dit zwijgen van Christus ons tot vreugde. Want dan zullen we immers dien hoogsten Profeet en Leeraar niet los kunnen laten, omdat Hij ons den verborgen raad en wille Gods van onze verlossing volkomen geopenbaard heeft. Dan zeggen we Petrus na : Heere, ik kan van U niet heengaan, want Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En dan zoo tot Hem opziende, te mogen verstaan, dat Hij gewillig was om den zwaren last van den toorn Gods te dragen, opdat Hij ons daarvan zou veriossen. Dan wordt de Koning in Zijn schoonheid gezien zingt de Psalmdichter :
Beminlijk Vorst, Uw schoonheid hoog te loven. Gaat al het schoon der menschen ver te boven ; Gena is op Uw lippen uitgestort ; Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.
Lezer, wat is Hij voor u ? Ge zijt een ongelukkig mensch, indien ge in Hem, zooals Hij hier voor Kajafas staat, geen gedaante of heeriijkheid kunt vinden, O, het is nu nog de welaangename tijd, waarin ge den Heere, Die de hoorder des gebeds is, moogt vragen om alles wat ge behoeft. En zalig dan, wie in dien Christus zijn heil, zijn hoogst geluk leert aanschouwen. Hier is het nog ten deele, maar straks zal de zaligheid volkomen zijn, omdat Hij, Die voor Kajafas zweeg als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, voor den Vader staande mag spreken : Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die zijn, welke Gij Mij gegeven hebt.
(Wijk bij Heusden)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's