Waakzaam
Telkens weer ontvangen wij brieven en gedrukte stukken, waarin men zijn ergernis uitspreekt over het drijven van verschillende predikanten — bedekt of onbedekt — in de richting van de Partij van den Arbeid. Ergernis en bezorgdheid spreken daaruit en dat laat zich verstaan. Daar is echter niemand en niets, waardoor men genoopt wordt zulk een leiding te volgen. De kerk is nog wat anders dan het roerig gezelschap, dat in zijn ijver bezig is het kerkelijk leven meer schade te berokkenen, dan het zich zelf bewust is. Daarom worden allen, die dit gevoelen en inzien, tot waakzaamheid geroepen. De belijders van den Christus der Schriften voegen zich niet onder de roode vaan.
Op hen kan de propaganda, die er op uit is de kerk dienstbaar te maken aan de idealen van het socialisme, slechts een tegengestelde uitwerking hebben. Zij hebben waakzaam te zijn, dat de onbetaalde rekeningen van de kerk niet aan het verkeerde kantoor worden gekwiteerd, want daarmede zijn de mannen van de synthese bezig. Zij beroepen zich er op, dat de kerk in het verleden haar roeping ten aanzien van de sociale nooden en jegens de Overheid niet heeft vervuld. En nu zijn zij bezig verleden en toekomst te overkoepelen, om de schade in te loopen, alsof wij in het socialisme waren terecht gekomen, indien de kerk haar roeping had vervuld en — niet aan doovemans-oor had geklopt.
Dan zou men zeker geen socialisme hebben gekregen en zou in ieder geval de kerk daarmede beter uitgekomen zijn, want zij zou trouw geweest zijn aan haar Heere en Koning. Dat is zij echter niet geweest en generaties van predikanten hebben geweigerd haar bij haar roeping te bepalen. Want daarin zijn wij het eens met Prof. Kraemer, indien de kerk zich van haar wezen ware bewust geweest of wederom geworden, dan zou de organisatie van 1816 haar niet hebben kunnen weerhouden.
Dat is alles echter napleiten. Geschiedenis is geschiedenis. Gedane zaken nemen geen keer. En daarom heeft het ook weinig zin op de leidslieden van voor heen te wijzen, ofschoon velen — den goeden niet te na gesproken — geen of verkeerde leiding hebben gegeven.
Men kan daaruit alleen de les nemen, dat er ten allen tijde blinde leidslieden kunnen zijn, die de kudde aan de wolven ten prooi overgeven.
Maar schuld ligt er. Daaronder komen wij niet uit. En de schuld van het voorgeslacht moge zwaarder drukken op de leidslieden dan op de gemeenten en haar leden, ook deze komen er niet onder uit. Want de gevolgen der nalatigheid van het voorgeslacht drukken op ons, en zoo zal onze nalatigheid en ontrouw een last leggen op onze kinderen.
Daarom zijn wij voor ons zelf en voor onze kinderen en die na ons komen verantwoordelijk door ons doen of niet doen. Dat is de diepe zin van het Schriftuurlijke : „wij en onze vaderen hebben gezondigd".
En als wij een Godewelbehagelijken weg mogen volgen, zal het genade zijn, als wij zelve daarvan nog de zoete vruchten genieten, hoewel de belofte voor ons is, maar zonder twijfel zal het nageslacht daarvan de vruchten oogsten. In omgekeerden zin, is het ook zeker, dat wij en onze kinderen de bittere vruchten zullen oogsten van onze ontrouw.
Geen vreemde goden navolgen ! zoo vermaant het profetische Woord.
Maar, als er nu leidslieden komen leeren, dat wij den waren God eigenlijk niet kennen, en ook niet kunnen kennen, dan zijn wij aan de afgoden overgeleverd. Dan is God een God van verre, die Zich eigenlijk met de menschelijke zaken niet bemoeit.
Als God uit de wereld wordt uitgebannen, kan men in de wereld slechts afgoden dienen, en dan is de mensch er na aan toe zichzelf een tempel op te richten. Dat laatste is trouwens het einde van alle humanisme, onder welken vorm het zich ook voordoet. Doch, hoe geheel anders onderrichten ons de apostelen en profeten aangaande de alomtegenwoordige kracht Gods en de inwoning van Zijn Heiligen Geest ? Hoezeer vermanen zij den mensch, ook den aardschen zondigen mensch. Zijne geboden te betrachten en Zijn Naam te eeren !
Het behoeft geen betoog, dat alle welonderwezen leeraren het volk daaromtrent onderrichten en daarbij zullen houden. En overbodig moet het zijn, er op te wijzen, dat ieder persoonlijk in zijn gangen daarmede heeft te rekenen en persoonlijk verantwoordelijk is. Hoe zeer zijn de vergaderingen en organen der kerk naar hun roeping gehouden naar den regel der Heilige Schrift te vermanen en te handelen. Maar ook als zij daarin nalatig zijn of te kort schieten en de dwalende geesten niet tot de orde roepen, kan dat geen vrijbrief voor de leden zijn om den dwaalweg te volgen. En wie bij de Heilige Schrift leeft, behoeft niet in het onzekere te verkeeren. Niemand kan twee heeren dienen.
Dan liever in den weg der gehoorzaamheid met God, dan in den weg der ongehoorzaamheid met degenen, die een saamgaan bepleiten met de volgelingen van de revolutie.
Want dit is de revolutie, dat zij de orde omkeeren, God niet in erkentenis houden en instede van Zijn Wet geëerd te willen zien, de inzettingen en idealen van menschen volgen en daartoe ook de Christenen willen overhalen.
Ons Christenvolk late zich daarvoor niet vinden, maar sta voor den Naam en de zaak des Heeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's