De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Schepping

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Schepping

Schepper en schepsel

12 minuten leestijd

Nu gaat het om de onderscheiding tusschen Schepper en schepsel. En men moet deze wel in 't oog houden, daar Schepper en schepsel nooit gescheiden mogen worden. De Schepper kan wel zonder het schepsel, maar zonder Schepper geen schepsel. Het schepsel is absoluut afhankelijk van den Schepper, zoodat het zonder Dezen zelfs niet bestaat.

De apostel Paulus drukt het verband van het schepsel tot den Schepper wel heel erg duidelijk en innig uit. In Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij. (Hand. 17 : 28).

Het is vooral in onze dagen noodig, dat wij op deze nauwe levensrelatie letten. De vrees voor pantheïsme gaat zoó ver, dat deze waarheid der openbaring geheel dreigt vergeten te worden. En hoe goddeloos de gedachten des menschen zijn, dit kan op zich zelf nimmer goed doen praten de waarheid te miskennen.

Bovendien, de mensch is zoo beperkt en zoo eenzijdig vaak, dat hij om het eene kwaad te vermijden in het tegengestelde euvel overslaat en de wereld geheel buiten God zet.

En gelijk nu alle dingen uit den wil Gods zijn voortgekomen, zoo worden zij ook door dien wil gedragen. Immers heeft geen ding bestand in zich zelf. Geen ding kan op zich zelf bestaan. Maar, aangezien dat zoo is, staan de dingen in den eeuwigen grond, die ze heeft in het leven geroepen door het Woord Zijner kracht.

Als nu de apostel zegt, dat wij in Hem leven, bewegen en zijn, dan beteekent zulks nog niet, dat wij met ons verstand ooit zullen bevroeden, hoe dat is.

Dat is trouwens niet noodig om het op grond van Gods getuigenis te gelooven. Maar nu hebben wij ons wel te wachten voor de vermenging van God en Zijn schepsel. Daar dreigt nu juist het gevaar.

De scheppende daad Gods dus geeft het aanzijn aan de dingen, doet ze verschijnen in vorm en gestalte. En hoe nu de dingen op zich zelf zijn ? Daarover heeft de menschheid veel gedacht. Wij weten wel, hoe de dingen voor ons verschijnen, hoe zij zich aan ons vertoonen, hoe zij zich aan ons voordoen. En wij rekenen dat geheel en al bij de schepping.

Wij gelooven, dat de wereld er was, voordat God den mensch geschapen had. Toen was er geen menschelijk oog om te zien, geen oor om te hooren, geen hart om op te merken. Maar, toen de Heere den mensch schiep, verscheen de wereld voor hem, zooals zij ook voor ons staat in al den rijkdom van vorm en gestalte, van kleur en klank, van verscheiden heerlijkheid. En wij hebben met de wereld van Gods schepping te maken, zooals zij zich aan ons vertoont, d.w.z. zooals God ze aan ons vertoont, zooals Hij heeft gewild, dat zij voor ons zou verschijnen. Daarin toch verkrijgt de schepping in zekeren zin haar voltooiing.

Alle dingen zijn door het Woord gemaakt en alle dingen dragen de kenteekenen van den goddelijken Auteur.

Onder het aspect der openbaring kunnen wij zeggen, dat het Woord in de dingen gestalte heeft aangenomen.

Onder het aspect der schepping kunnen wij zeggen, dat het Woord aan de dingen gestalte heeft gegeven.

Beide uitdrukkingen houden wij uit elkander. Want als wij zeggen, dat het Woord aan de dingen gestalte heeft gegeven, dan valt de nadruk op de onderscheiding van het Woord en de dingen. De gestalte, welke de dingen vertoonen, is wat anders dan het Woord. De gestalte wordt door dat Woord gedragen, maar is het Woord niet. Het licht, dat op het Woord verscheen, is als zoodanig niet het Woord. Het licht is het nieuwe, dat er nog niet was, toen het Woord nog niet gesproken had. En het is er, omdat het Woord sprak en omdat het nog altoos spreekt. Het is dus ook niet zoo, dat het licht nu voortaan wel zonder het scheppende Woord in de wereld kan uitstralen. Ook het licht is in Hem, in Wien alle dingen zijn. De almachtige Wil zegt, dat er licht zal zijn en er is licht, omdat het Woord altijd doet, wat de Vader wil. En zoo is het met alle dingen.

Dat is dan ook de onderscheiding, waarop wij wezen. De schepselen zijn niet het Woord, maar zijn wat anders. De zon, de maan, de sterren, de boomen, kruiden, rivieren, bergen, alles heeft zijn gestalte, zijn aard, zijn bestemming overeenkomstig den wil Gods. Maar de zon en de maan en de sterten, zij zijn geen goden, zooals de heidenen leeren. En zoo zijn ook de boomen, rivieren en de bergen geen goden.

God heeft al deze dingen tegenover Zichzelven en tegenover den mensch gezet, opdat Hij Zich in deze dingen aan den mensch zou openbaren. Tegenover Zichzelven — en daarom van Zichzelven, onderscheiden als niet-God zijnde. Maar toch zóó, dat al het schepsel iets van Zijn heerlijkheid heeft te vertolken.

Hij bedekt Zich met het licht als met een kleed. Het is dus niet zóó, dat God zou wegschuilen achter al Zijn schepsel, of dat God Zich in een verhulling zou steken.

God de Heere heeft niet noodig zich te verbergen, want wie zou Hem kennen, tenzij Hij Zich te kennen geeft?

Zonder twijfel heeft de schepping geen ander doel dan de openbaring Zijner heerlijkheid.

De theologen hebben de vraag gesteld en de meesten komen hierin overeen, dat God in Zijn werken Zichzelf wil verheerlijken. Wij vinden dan ook geen anderen grond dan dat Hij gekend wil zijn door het schepsel, opdat het Zijn heerlijkheid zou aanschouwen.

De schepping der wereld toont aan, dat Hij niet alleen door maar ook uit het schepsel wil worden gekend. Zijn heerlijkheid neemt schepselmatigheid aan om door het schepsel gekend te worden.

Het schepsel is geen drager der goddelijke heerlijkheid, maar de transparant der goddelijke heerlijkheid. De goddelijke heerlijkheid schijnt door de dingen heen, de eeuwigheid glanst door den tijd. Alle dingen worden door de heerlijkheid Gods gedragen.

Daarom zijn de dingen de heerlijkheid Gods niet, zij zijn wat anders, zij zijn dingen, verschijnselen, veranderingen, bewegingen, en wat zij eigenlijk zijn, weten wij niet, maar zij zijn, exesteeren, werken en bewegen zich in de tinteling van den doorschijnenden gloed der eeuwigheid.

Wij menschen staan te midden van de dingen en zien deze in hun ding-zijn, in hun veranderingen trachtende ze zoo te verstaan en in hun verband te begrijpen. Zij worden ieder op zich zelf en in het verband wat. En wat wij er van begrijpen, vatten wij saam in onze wetenschap. Natuur, zeggen wij, het is alles natuur. Wij merken daarin orde en regelmaat op en trachten de dingen te beheerschen door de kennis van die orde. Hoe meer wij van die dingen meenen te begrijpen, hoe meer de natuur op zich zelf wordt genomen. Ook zelfs in Christelijken kring kan het natuurlijke zoo zeer op zich zelf worden gezet, dat het goddelijk transparant verduisterd schijnt. Dat kan zoover gaan, dat men de natuur als een in zich zelf rustend proces gaat zien, alles uit de natuur zoekt te verklaren, en in een naturalisme verzinkt, waarin alle zedelijke en geestelijke levenskrachten worden uitgebluscht. De moderne cultuur kenmerkte zich door zulk een naturalisme. Geen oog meer voor de hoogere zedelijke en geestelijke levensnormen. De stortvloed van onheilen, over de wereld gebracht door het nationaal-socialisme, dat zich bewust door de natuurlijke instincten liet drijven, heeft de wereld gezet voor de ontstellende gevolgen van zulk een levensbeschouwing.

En de feiten toonen aan, dat dezelfde gevaren de huidige wereld bedreigen, ondanks den roep om vernieuwing en herkerstening. Daarom rust er een groote verantwoordelijkheid op het Christenvolk, opdat het met kracht opkome voor een waarachtig Theïstische levens- en wereldbeschouwing.

Vóór alles onderscheiding van God den Schepper en het schepsel. Doch deze mag nimmer worden tot een scheiding. Dan toch vervalt df mensch tot een goddeloos naturalisme, waaraan alle voorwaarden ontbreken voor een ordelijke saamleving en waarin hij zedelijk ten onder gaat.

Geen scheiding van God en Zijn schepsel.

En nu de andere kant. God geeft niet alleen gestalte aan de dingen door Zijn scheppende Woord, maar in het geloof en dus op vrome wijze gezien, mogen wij ook zeggen, dat het Woord in de schepping gestalte aanneemt.

Wij spraken zoo straks van een transparant, een doorschijnen van de heerlijkheid Gods. Maar als het Woord scheppend uitgaat, zoodat de dingen voortkomen, is de gestalte toch ook niet los van het Woord. Het is ook zoo, dat het Woord zich in die gestalte voordoet, gestalte aanneemt. En dat is zoo voor het geloof. Het geloof verstaat het Woord als openbaring. Het is onmiddellijk op het Woord gericht. De profetische blik op de schepping wordt geopend. Psalm 19 wordt levend. Overal wordt de sprake Gods gehoord. De gansche aarde is vol van de heerlijkheid Gods. Alles is vol van het Woord en niet alleen van het Woord.

Wij hebben van den Heiligen Geest nog niet veel gesproken. Doch wij weten dat het werk der schepping een werk van den Drieëenigen God is en dat Woord en Geest tezamen uitgaan in de schepping. En het is ook de Heilige Geest, die in het geloof werkzaam is en de openbaring der schepping doet verstaan. De Heilige Geest doet het Woord als Woord verstaan. Hij geeft ook gestalte aan het Woord in het bewustzijn van den mensch. Dan worden alle dingen eerst waarlijk transparent, omdat zij geestelijk worden gezien. Daar zijn hemelsche en aardsche dingen, onzienlijke en zienlijke dingen. (Col. 1 : 16). En zoowaar de dingen, die gezien worden, opkomen uit de dingen, die niet gezien worden, zoowaar schijnt de eeuwigheid door de zienlijkheid heen. Het eeuwige Woord en de Geest dragen de onzienlijke dingen in de zienlijkheid. Woord en Geest zijn de onzienlijkheid, nemen de zienlijkheid aan zonder hun eeuwige goddelijkheid af te leggen. Zij nemen bij wijze van spreken zienlijke gestalte aan in het geschapene.

Maar juist daarom kunnen het goddelijke en de gestalte niet gescheiden worden en het is de Heilige Geest, die het profetisch oog opent voor deze goddelijke werkelijkheid der openbaring. Het scheppende Woord wordt als Gods Woord ontdekt, de gansche schepping als gedragen door Gods Geest.

Niet slechts de geestelijke achtergrond wordt gezien als achter een stoffelijk scherm, maar het geloof verstaat, dat de dingen, die gezien worden, opkomen uit de dingen, die niet gezien worden. Zoo zijn zij openbaring van de dingen, die niet gezien worden. Het scheppende (d.i. openbarende) Woord draagt de onzienlijke dingen Gods in de gestalte van bun gekend zijn. Uit den Raad Gods treedt het Woord openbarend naar buiten in de schepselen. En zoo kan men zeggen, dat het gestalte aanneemt in de dingen, die gezien worden.

Zoo werkt de openbaring langs twee wegen, om het menschelijk uit te drukken. Want het Woord werkt niet alleen in de schepselen, die als tegenover ons staan, maar ook in den mensch en in den weg van zijn gelooven, kennen en verstaan.

Ook de mensch zelf wordt met de gansche wereld gedragen door het scheppende Woord. Hij gaat bij dat licht verstaan, dat wij in Hem leven en bewegen en zijn.

En naarmate hij dat dieper in zijn geestelijke werkelijkheid schouwt en hij toeneemt in de kennis van het goddelijk deugdenbeeld, wordt hem dat geloof tot een troost en levenskracht.

Toch kan die kennis van God den Schepper in verschillenden graad oppervlakkig blijven. Zoo kan er een zeker beseffen en gevoelen wezen van de heerlijkheid Gods, die het dichterlijke hart inspireert, maar tot de kennis van het Woord niet reikt. Onderwijs en opvoeding, gepaard gaande aan een zekere mate van verlichting, kan dat besef versterken en daaraan een vorm van levensbeschouwing en practische levenshouding geven.

Vooral in een gekerstende omgeving kan het geloof aan den Schepper den levensstijl bepalen en zijn vruchten afwerpen voor de saamleving, die helaas verloren gaan, wanneer het naturalisme veld wint.

Het werk der Wet in de harten laat zich in zulk een omgeving niet onbetuigd, het geweten medegetuigende. De waarheid toch heeft altijd een bondgenoot in het geweten. En hoewel dit alles nog slechts in de verte met het zaligmakend geloof van doen heeft, achte men het geloof aanii God den Schepper niet gering, het is een kracht in het openbare leven.

Want, hoe het ook zij, men heeft van doen met het Woord, dat alle dingen gemaakt heeft en dat Woord is vleeschgeworden.

En vergeten wij daarbij niet, dat dit Woord ons bepaalt bij onze eigene schepping en de orde van ons leven. Dat Woord zet ons met heel de wereld onder den eenigen en almachtigen God, in Wiens hand de adem van ons leven is en aan Wien wij voor heel ons leven verantwoording schuldig zijn.

Indien wij er op letten, zullen wij ook ontdekken, hoe veelvuldig Gods Woord ons bepaalt bij het feit, dat Hij de hemelen en de aarde heeft gemaakt, de zee en al wat daarin is. En Calvijn heeft het geloof aan God den Schepper van zoo groot gewicht geacht, dat hij de staatkundige orde en de burgerlijke gerechtigheid er op gebouwd wil zien. Krachtens de orde der schepping is een iegelijk schuldig God den Schepper te eeren en Zijn geboden te gehoorzamen.

Het is daarom door Calvijn zeer wel ingezien, dat in de eerbiediging van Zijn heiligen Naam de grondslagen voor een gezegende saamleving zijn aangewezen.

In onze dagen is dat welhaast een vergeten zaak. Sommige kerkelijke heeren schijnen meer verwachting te hebben van een revolutionaire partij. Zij schijnen zich heel wat voor te stellen van de kerstening, die van hen zal uitgaan in de roode gelederen, maar van de zoo even genoemde grondslagen hoort men niets. Zij wachten ziulke weldaden van het socialisme voor ons volksleven, dat zij schijnen te meenen Gode meer eer te geven als zij daarmede gemeene zaak maken, dan wanneer zij opkwamen voor den eisch eener Chris­telijke levensorde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De Schepping

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's