Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina
2.
Alleen de oude Suze, de blinde vrouw van Sinaï Tulpenbloesem, bukte zich nog tastte op den grond naar een steenklomp, en wierp dien naar beneden, waar zij hem hoorde neervallen. „Daar heb je een steen", zei zij tot haar kleinkind. „Als je op de groote weide komt, en je ziet den Nazarener, die ons als Messias wou bedriegen, werp hem — dien gehangene — daar dan mee!" De andere verwanten echter plukten : grashalmen, slingerden die over hun hoofd heen achter zich, en spraken den gebruikelijken zegenwensch uit: Zij zullen uit de stad uitgaan als gras uit de aarde".
Een rabbijn was niet tegenwoordig. Tulpenbloesem, de grootvader van het kind, kon in zijn kwaliteit van eerwaardig Sopheer wel de plaats van dezen innemen. Het was al heerlijk genoeg; voor dien kleinen afstammeling van hem dat hij in heilige aarde mocht liggen, en dat hij dus nu dadelijk mocht bereiken datgene, waarom jaarin-jaar-uit die scharen van de in den vreemde verkeerende kinderen dezes lands naar Kanaan terugkeerden. Sinaï sprak aan het slot tot vertroosting van allen : „Mijn vader de vrede zij met hem! - heeft gewenscht; dat hem, als hij dood was, een weinig aarde uit dit land op het gelaat zou worden gestrooid, en hij heeft dat niet mogen verkrijgen. Want de man, in zijn Turksche kleederdracht, met dat zakje aarde, dat van den bodem van Zion afkomstig heette te zijn, was een bedrieger ; het stempel van den Rabbijn bleek later niet echt te zijn. Mijn dochterszoon bereikt het nu zonder moeite. Komt, laat ons de handen wasschen".
Zij gingen naar de bron, die de gemeente tot dat doel daar had aangelegd, en die door verborgen wateraders van den Eliaberg werd gevoed. Toen zij zich gereinigd hadden, sprak de oude, met den rug naar hen toe, nog de laatste woorden van het ritueel: „Hij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere Heere zal de tranen van alle aangezichten afwisschen ; en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de gansche aarde wegnemen ; want de Heere heeft het gesproken". Hiermede was de plechtigheid afgeloopen. De mooie Rea had bij de begrafenis van haar eenig kind evenmin als iemand anders een traan vergoten, want alles wat hier plaats had, was slechts troost — het was geen rouw meer. De rouwtijd was trouwens al onderweg verstreken. In de moede oogen waren de tranen overwonnen, en zelfs het „gescheurde kleed" zag men alleen nog maar bij den grootvader Reb Sinaï. Zoo ongewoon als de dood van den kleinen Schimmel was geweest, zoo zeer in strijd met de gewone regels verliepen nu ook begrafenis en rouw.
Rea zocht een paar in het wild groeiende cistroosjes en pimpernels, en plantte die boven op den kleinen heuvel. Daarna keerden allen zich af, om naar de stad terug te keeren.
Nu was dan het oogenblik gekomen, waarop zij voor het eerst vrij om zich heen konden zien. Toen de gietijzeren deur van de begraafplaats achter hen was dichtgevallen, richtte Sinaï Tulpenbloesem zijn gebogen rug op, breidde zijne handen uit en liet den scherpen valkenblik van z'n kleine, onder dikke wimpers verborgen oogen rondom in de verte weiden. Dat bracht de anderen er toe om hetzelfde te doen. Alleen de uitgedoofde pupillen in Suze's oogen bleven rechtuit gericht, en de kleine kinderen drukten zich teken hun ouders aan en wilden niets zien. Zij begonnen van dorst, honger en vermoeidheid te schreien. Een frissche wind stak op van den zeekant, anders zou de hitte bepaald drukkend zijn geweest.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's