Breedere toelichting
op het adres Professoren-benoeming der Classis Dordrecht.
Ten aanzien van het verzoek om confessioneele (d.i. gereformeerde) professoren, willen wij den eenvoudigen toehoorder of lezer van meet af inprenten, dat wij hier niet het pleit voeren voor de Conf. Vereeniging, noch voor den Geref. Bond. Mogelijk treft ons inzake het Adres het verwijt:
Dit is een spreken uit het klimaat van vóór 1945. Het moge U duidelijk worden, dat dit ons goed recht is, daar ten opzichte van de belijdenis nog geen officiëele nieuwe uitspraken zijn gedaan.
Het karakter der Kerk is confessioneel bepaald, zoowel bij de Reformatie als in de eeuwen, die daarop volgden. De continuïteit is nergens afgebroken. Dit karakter heeft zij ook in het heden. Zij heeft dit historisch, en zeker voor hare ambtsdragers moreel, ja, zij heeft dit zelfs wettelijk, krachtens art. 11 Alg. Regl.
De strijd is bekend. Groen van Prinsterer wilde de wettelijke handhaving der belijdenis, anderen verkozen de ethisch-irenische, d.i. de moreelvreedzame weg. Onnoodig, heel die strijd weer op te halen, zij is genoegzaam bekend.
Daar rijst een vraag : Hoe komt het, dat confessioneele doctores bijna steeds gepasseerd zijn ? Ligt hierin een kwalificatie van hun wetenschappelijke minderwaardigheid ? Zoo ja, dan ziet het er voor de gereformeerde gezindheid in onze Kerk slecht uit. Zoo neen, dan is hier, hoe men het ook camoufleert, richtingsbelang in het spel. De Kerk is reeds eeuwen voor een groot deel afgegleden van hare grondslagen. Eerst moesten de Canones van Dordt het ontgelden, daarna de Ned. Geloofsbelijdenis, voorts de Heid. Catechismus en ten slotte ook het gezag van de H. Schrift. Protestant beteekent voor velen vrijheid, zonder gebondenheid aan het Woord Gods. in breede kringen kwamen velen daarvan terug. Nu in 1946 gaat het dan om het „Evangelie van Jezus Christus, de Heer der gemeente".
Vanzelf komen wij terecht in het richtingsprobleem en wij zijn aanschouwers van het kampgevecht van den meest recenten datum Kraemer —Van Niftrik.
Voor een niet-gepromoveerd iemand is het een hachelijke onderneming, zich hierin te mengen. Hij staat als een schildknaap tusschen twee geharnaste strijders. De nood is mij echter opgelegd. Daarom veroorloof ik mij enkele opmerkingen. In filosofische beschouwingen zal ik mij niet verliezen en naar ik hoop U niet kwijtraken. Het verheugt ons, dat de discussie, die met ons onderwerp ten nauwste samenhangt, een plaats vond in het officiëele orgaan der Kerk : Weekbladj 30ste jaarg., no. 17. Een bewijs, dat de Kerk er belang bij heeft, en niet slechts de breede groep der gereformeerde gezindheid.
Wij bepalen ons bij de 7de kolom. In den grond der zaak worden Evangelische Boodschap en Belijdenis wel niet van elkaar losgemaakt, doch wel al te zeer afzonderlijk en te los van elkaar beschouwd. Wie in de Kerk Confessie zegt, zegt ook Evangelie, doch niet ieder die in de Kerk Evangelie zegt, zegt tevens Confessie. Van het Evangelie geldt, dat het primair is, verhevener, want de confessie is een, zij het dan ook uit het Evangelie, afgeleid getuigenis. Inderdaad. Maar wij strijden dan ook tegen confessionalisme en dogmatisme, doch verliezen nooit uit het oog, dat. wie het Evangelie brengt, dit altijd brengt i n een. bepaalden vorm. Menig predikant brengt de Evangelieboodschap in confessioneel gewaad, doch anderen totaal naar eigen goeddunken. Hoedemaker noemde de Kerk een club van religieuse sofisten en derhalve een dictatoriale anarchie. Waar de één mee tot klaarheid is, daar moet de ander nog mee beginnen. M.a.w. de confessioneelen continuëeren hun boodschap, doch de anderen prediken het Evangelie, maar staan nog huiverig tegenover de Confessie, daar velen onder hen er innerlijk van zijn vervreemd. De wrijving zit hier : Voor de één is het Evangelie in confessioneel gewaad een vanzelfsheld, voor den ander is dit nog een niet uitgemaakte zaak. Deze laatste zet de confessie niet bepaald op non-activiteit, want Kraemer wil Nicea, Chalcedon, Anselmus, ongetwijfeld ook Dordt, niet negeeren. Toch wil men komen tot een nieuw belijden. Ter andere zijde willen de Confessioneelen ook niet poneeren, dat 1618/19 het laatste woord gesproken heeft. Is het nieuw belijden een opnieuw belijden van de fundamenteele stukken, zoodat er primair een toegroeien is naar de H. Schrift en bijgevolg naar de belijdenis, op welker bodem wij staan, of acht men het primair van moreel belang, dat wij, (hoe men ook de grootste gemeene deeler wil vermijden) op grond van de organisatorische eenheid of grootheid der Kerk, eerst naar elkaar moeten toegroeien? Schrift en belijdenis komen dan op het tweede plan.
Voor ieder is het duidelijk, dat de onrust in de Kerk voortspruit uit dezelfde motieven, als waardoor de vaderen van 1586—1618 verontrust zijn geworden. Men vreest in het heden, dat de fundamenten der leer, reeds lang ondermijnd, zullen instorten door de nieuwe koers in de Kerlf. Alles is in beweging, en de gereorganiseerde Kerk zal, wat a priori discutabel gesteld wordt, mogelijk omver werpen. Althans zal de gereformeerde leer niet officiëele erkenning vinden. Ziehier de vrees. Nu acht prof. Kraemer dat dr. Van Niftrik bezig is idolen (afgodsbeelden) op te richten. Hij en alles wat gereformeerd denkt en spreekt, vormen een rem op de vooruitgang. Toch wil Kraemer, dat de classieke formuleeringen weer opnieuw zullen verstaan worden. Wij verheugen ons daarin, doch hebben daartoe gereformeerde professoren noodig. Hij waarschuwt ons voor beeldendienst. Hij wil, dat wij in den stroom gaan staan. Nu staan wij er buiten. Het is juist deze voorstelling van zaken, waartegen wij positie kiezen en zeer ernstig protesteeren.
Er mogen richtingen zijn, doch zoolang de belijdenisschriften en de liturgische formulieren niet officieel zijn afgeschaft, staan wij in een Kerk, welker karakter confessioneel is bepaald. De Confessie is geen aparte grootheid naast, nog minder contra de Evangelie-boodschap. Zij is de summiere samenvatting van de H. Schrift. Daarmee hangt onverbrekelijk samen de oplossing van het kerkelijk vraagstuk. Met dat vraagstuk heeft alles, wat confessioneel is, geworsteld, vanaf het eerste protest der Classis Amsterdam, in den jare 1816. Hoe kan prof. Kraemer nu zeggen, dat wij buiten den stroom staan. Wij staan er reeds meer dan een eeuw welbewust in. En ook vele niet geprononceerd-confessioneele figuren als b.v. de oprichter der Doetinchemsche Inrichtingen e.a., stonden er midden in. Er is echter een gradueel verschil in het voeren van actie, daar de één nadruk bleef leggen op de Kerk, de ander op het Koninkrijk Gods. Oudere ethische predikanten zeggen zelf, dat hun geestverwante professoren van vroeger hen nimmer op de Kerk gewezen hebben. Daarvoor moet men zijn bij Hoedemaker, Kromsigt, Van Grieken e.a. Als dan ook op een Gemeente-Opbouw-vergadering te Rotterdam gezegd is, dat de confessioneelen van allerlei schakeering achteraan komen, dan werpen wij dit verre van ons, omdat wij steeds te dezen opzichte diligent zijn geweest. Immers heeft het in 1923 bij de eindstemming der P.K.'s slechts aan één stem ontbroken, of wij hadden een Groote Synode gehad. Er waren 67 stemmen, vereischte 2/3 was 45, doch men telde slechts 44 vóór. Bij de 23 tegenstemmers waren er 4 van de Walen. Wij gaan echter niet verder nakaarten. Wij wenschen echter ook niet gekwalificeerd te worden voor lieden, die op repristinatie aansturen. Wilt u een bewijs? Het is aan het Moderamen bekend, dat de Gezangenkwestie in den kring van den Geref. Bond grondig zal doorgesproken worden, ten einde spoedig met voorstellen te komen.
Echter willen wij ook waarschuwen voor een lander gevaar, dat de tegenhanger is van de door prof. Kraemer gewraakte beeldendienst. Het is de nivelleering van het overgeleverde voorvaderlijk goed. Deze reorganisatie geeft kerkrechtelijke winst, welke gepaard gaat met dogmatisch risico. De Kerk heeft echter een pand te bewaren, en dat niet alleen op papier. Vooral in dezen tijd, waarin de Kerk dreigt te ver-Amerikaniseeren en te ver-Romaniseeren. Dit is onze gegronde vrees.
Tabula rasa (schoone lei) maken is onmogelijk. Daarentegen is versteening doodelijk. Het gaat prof. Kraemer in al zijn geschriften om het levend geloof. Daarom is zijn woord met kracht. Dit is het bekoorlijke evenals bij Gunning. Maar het gaat er ons niet minder om. Doch maak er dan geen verwijt van in kolom 7, dat wij aan het eind zijn, waar u wilt beginnen. Dat is dus het diametraal tegenovergestelde aan het zachte verwijt dat wij achteraan komen ! Meet ons ook niet af naar verkeerde uitwassen. Erken onze strijd daartegen ! Want ook achter veel strijd in Kerk en Evangelisatie steekt geloof. Onheilig vuur op het altaar zal zeker uitbranden. Doch er is, maar één Evangelie ! De Heere is waarlijk opgestaan, ja, Hij is van Simon gezien ! 't Is voor geen tweeërlei uitlegging vatbaar.
De discussie over het waarheidsvraagstuk blijve op hoog peil. Men slijpe zijn vernuft niet aan fijne nuanceeringen, zoodat in de woordenkeus de kern der waarheid van het Woord Gods schuil gaat. Dogmatische constructies kunnen evenzeer ter andere zijde de eenvoudige boodschap van het heerlijk Evangelie dikwijls omfloersen. En als het dan gaat tusschen de kwestie Confessie óf Evangelie, dan ben ik bevreesd voor het Schriftwoord : „En er was ook twisting onder hen, wie van hen de meeste scheen te zijn". Het gaat ook mij niet om wie het winnen zal, doch om de eere Gods en om de schare.
En wat de benoeming van professoren betreft, blijft het ons een ergernis, dat de Kerk, welker karakter confessioneel is bepaald, juist diegenen dikwijls heeft gepasseerd, die zich voor 1945 niet schaamden confessioneel genaamd te worden. In deze materie komen wij, zakelijk gesproken, op voor de Kerk, voor de circa 800 plaatsen, die direct begrip toonden voor reorganisatie. Derhalve komen wij op voor ons goed recht, daar wij overtuigd zijn dat de Evangelieboodschap in de belijdenis is vervat.
Het zou daarom geen overtollige weelde zijn, indien het Rijk, maar nog veel liever de Kerk, aan elk der Universiteiten een hoogleeraar aanstelde in het Gereformeerd Protestantisme. Dit zou ons veel aangenamer zijn, dan wanneer de Confessioneele Vereeniging of de Gereformeerde Bond daartoe de noodige maatregelen nam.
(Ridderkerk 1 Mei 1946.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's