De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet.

FEUILLETON

4 minuten leestijd

Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina

Mandel Lemberger zat apart in een hoek, zonder een tafel voor zich. Omdat hij zoo langen tijd het lijkje had gedragen, en de voorgeschreven reiniging nog niet had verricht, gold hij als onrein.

De blinde zat aan de hoofdtafel naast haar man, heelemaal in elkaar. En naast hem, aan diens rechterhand, zat Samuel, tegen wien Tulpenbloesem bij het wachten zei: „Zeg eens een stuk van de Thora voor ons op van dat wat je het laatst hebt geleerd, dan hebben wij iets goeds om over na te denken."

De jongen strekte zijn bovenlichaam uit, richtte ernstig zijn blik op de oogen van zijn pleegvader, en vroeg eerbiedig: „Het lied van Mozes? " „Ja, zeg dat maar op, want lichaam en ziel versmachten."

Samuel liet zijn hoofd achterover zakken, sloot half zijn oogen, en begon nu, terwijl zijn hand vlak op de tafel rustte, in het Hebreeuwsch op te zeggen : „Neig de ooren, gij hemel! en ik zal spreken; en de aarde hoore de rede mijns monds. Mijne leer druipe als een regen, mijne rede vloeie als een dauw ; als een stofregen op de grasscheutjes en als druppelen op het kruid. Want ik zal den naam des Heeren uitroepen ; geeft onzen God grootheid ! Hij is de Rotssteen, wiens werk volkomen is; want al Zijne wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht, rechtvaardig en recht is Hij, maar 't was niet mogelijk om verder te gaan, want de deur ging open en de soep werd binnengebracht. Tegelijk kwam er rijst en schapevleesch op tafel en werden de borden rondgedeeld. Toen vlood iedere andere gedachte, de honger flikkerde op in de oogen en werd slechts met moeite nog beteugeld, totdat Reb Sinaï de gewone gebedswoorden over den maaltijd had uitgesproken. Ofschoon hij daarmee begon nog vóórdat de waardin en de meid de kamer uit waren, keken toch allen wrevelig naar hem. Zóó langzaam sprak hij! Met het hoofd op de borst gezonken, en terwijl zijn stem bijna niet te hooren was. Goede help, men kwam toch bijna om van honger. Hij kwam niet verder dan de helft van het gebed, toen liet hij maar haastig ineens de slotwoorden volgen, want plotseling scheen 't hem ook voor hem zelf hoog noodig, den eersten lepel soep nu zoo spoedig mogelijk aan den mond te brengen.

Een tijd lang hoorde men niets dan slurpen en geklikklak van lepels. Rea hield haar moeder de soep in een beker aan den mond en liet haar zóó drinken. Bij kleine beetjes kreeg zij de eerste druppels binnen tot de warmte en de kruiïge kracht ook haar begeerig maakte — en zij de rest haastig uitdronk. Allen aten hun bord tot op den laatsten druppel leeg. Wat kalmer keken ze nu naar het gekookte vleesch. Aan iedere tafel verdeelde de oudste der mannen dat, en zoo ook de rijst.

Mandels vader, de koopman Lemberger, vervulde aan de tweede tafel deze taak. Zijn scherpe oogen wisten de grootte der stukken in een oogwenk af te meten, en hij was heel rechtvaardig. Zelfs zijn achttienjarige zoon, de grove en haast blonde Fanuël, met het sterk ontwikkeld kinnebakken, moest met precies hetzelfde aandeel tevreden zijn als de anderen. Alleen zijn jongste kind, de kleine Chaim, die met zijn scherpbelijnd en schuw gezichtje en met hoog opgetrokken schouders als een uiltje tegen hem aanleunde, kon bespeuren, dat het zijn vader was, die het vleesch deelde. Hij kreeg een stukje van den meest malschen kant, en een stukje vet nog bovendien. Ook in den schotel met rijst doopte Lemberger zijn lepel een beetje dieper, toen hij zijn zoontje bediende, en de vlugge oogen van Chaim vlogen daarbij de kamer rond, of er ook iemand was, die bemerkte, hoe hij werd voorgetrokken. Voor zichzelf nam de koopman tenslotte heel bescheiden het grootste bot, waar hij de beste stukken reeds afgesneden had. En toch wist hij wel wat hij deed, want dat heupstuk had ook weer zijn verborgen voortreffelijkheden in de holten en de nog niet weggesneden zachte spieren.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's