Da Costa
over de Opstanding der dooden. (1 Cor. 15)
Dat Christus gestorven is voor onze zonden. Dat Christus gestorven is wordt wel door niemand betwist, maar dat Hij gestorven is voor de zonde, is in alle tijden betwist geworden en wordt nog heden betwist. Trouwens hierin ligt de verzoening van den zondaar met God, welke door het ongeloof ontkend wordt. Dat acht geene verzoening noodig. Doch wie het verband kent tusschen zonde en dood, die moet noodzakelijk bij den dood de zonde onderstellen. Hij moet eene redelijke oorzaak in God vinden, dat deze, ofschoon de God des levens ten leven, de menschheid aan den dood onderworpen heeft. Die redelijke oorzaak is des menschen val uit de gehoorzaamheid in de ongehoorzaamheid, uit de heiligheid in de zonde.
Christus is dus ook gestorven om der zonden wil. Doch nu komt de vraag : om wier zonden wil ? om zijne eigene zonden ? Wie kan Hem van zonde overtuigen ? Dus, om onze zonden. En nu is de dood de straf der zonde, zoo heeft Christus voor ons stervende, de straf der zonde geleden. De dood van Christus is dan ook de grondslag onzer zaligheid. Ware Hij niet voor onze zonden gestorven, Zijne opstanding zou ons niet tot rechtvaardigen hebben kunnen stellen. Ware Christus als martelaar gestorven, Zijne opstanding zou alleen gestrekt hebben tot Zijne eigene verheerlijking, maar voor ons, zondaren, was zij niets.
Naar de Schriften. In overeenstemming met de Schriften, welke als de beschreven raad Gods moesten vervuld worden. God had gezorgd van het begin der wereld af, dat hetgeen de loop der tijden moest medebrengen, vooraf door Hem geopenbaard werd, met al die duidelijkheid, waarvoor nog te gebeuren zaken vatbaar zijn, om zich niet te vergissen, maar te vergewissen dat de van Gods wege aangekondigd wordende gebeurtenissen, werkelijk van God waren. Gesteld eens God had niets in schrift laten brengen van de komst des Heeren in het vleesch, dan zouden vooreerst de geloovigen van alle voorafgaande tijden geene vastigheid, geene beloften Gods voor hun geloof gehad en daarmede allen troost gemist hebben ; maar ten anderen, zou de komst des Heeren geheel onverwachts plaats gehad hebben, zonder voorbereiding en inleiding.
En kunt gij het U nu voorstellen, dat God de hoogste daad zijner liefde, waarvan de zaligheid van ontelbare zondaren afhing, niet zou hebben voorbereid en ingeleid ? Neen. ook voornamelijk daartoe zonderde Hij Israƫl af tot zijn eigen volk, om (zooals , wij vroeger opmerkten) niet alleen den Messias te doen voortkomen langs een ordelijken historischen weg uit de vaderen, maar ook om aan dat volk zijn eeuwigen raad ten opzichte van dien Messias en de zondaren in schrift te geven, opdat wanneer de tijd der vervulling zou gekomen zijn, de Goddelijke waarheid der zaak op de hoogst mogelijke wijze zou blijken. Wij zien hieruit, hoe onverantwoordelijk lichtvaardig zij handelen, die de Heilige Schriften als zoodanig met minachting en als menschelijke geschriften behandelen. De Heere zelf beroept zich gedurig op de Schriften en de apostelen doen het ook, als op de eigene getuigenis Gods, als op het hoogste gezag, waarvoor geen hooger beroep kan zijn.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's