Financiën
Postgiro 138421
Het doet me altijd iet of wat pijnlijk aan, wanneer als sluitstuk van een heel lange lijst van inkomende gelden een opmerking wordt gemaakt als deze: het is wel een schitterende uitkomst, welke ge hier u ziet voorgelegd, 't is wel een heel mooie som ; het was wellicht veel hooger cijfer dan gij gedacht had. 't Is in één woord schitterend, maar en nu komt het: 't is nog nauwelijks toereikend voor de allernoodigste uitgaven ; het vormt niet meer dan een begin van wat gevorderd wordt voor heel het werk. Het was wel prachtig, doch . . . . . . . ..
Hebt ge u wel eens ingedacht, welke indruk hierdoor werd wakker geroepen bij hen, die hun uiterste best hebben gedaan om zooveel mogelijk bij elkander te garen, die geen gelegenheid lieten glippen, om toch maar in te zamelen ?
Zeker, daarin schuilt een waarheid, waartegen niemand protest zal aanteekenen. Het is zoo, maar daarnaast worden zij, die met een kleinigheid meenden te, kunnen volstaan, even op de schouders getikt, „'t Is waar ook, ik had me met een goedkoop praatje er af gemaakt. 'kZal de fout niet voor een tweede keer maken. Aan critiek mankeerde het bij mij niet. 'k Zie het nu óok wel".
Dit resultaat kan dus aan de zijde van het „voor" worden geboekt.
Niettemin dient voorzichtiglijk te worden gehandeld. Het spreekwoord blijft van kracht: „teveel schaadt". Dit geldt ook hier : „wie het onderste uit de kan wil hebben, krijgt het deksel op de neus". Deze inleiding had ik noodig, om wat door mij naar voren zal worden gebracht, een goeden ingang te bezorgen. Het overzicht van onze rubriek „Financiën" van de vorige week, zou ik gaarne nog even willen toelichten.
Dit eindigde met dezen volzin : „Zoo valt het nog niet tegen".
Dat was met mij zelf ook het geval, 'k Had niet gedacht, dat het eindcijfer zooveel nog bedroeg. Klagen paste ons dus niet. Toch mocht ééne opmerking niet achter worden gehouden. Wij misten onze Paaschcollecte. Niet alleen nu, maar de heele oorlogsjaren. Wij zaten net, waar de slagen vielen. Er was geen mogelijkheid om in de rij te staan. Ieder had een kas, behalve wij. Dat er nog een enkele kerkeraad was, die aan ons dacht, gaf ons stof tot verblijden. Evenwel was dit een uitzondering. Wij hadden er ons heelemaal op geprepareerd om vanuit de verte den loop der dingen maar eens af te wachten. Zoo stond het er bij.
Wij hadden nog iets te melden, doch nu komt een kleine toelichting, die wel eenigszins op een verzuchting gelijkt. Wij hadden als eindcijfer van onze eerste verantwoording de som van ƒ 1383.73, ruim dertienhonderd gulden, te melden.
Nu moet ge weten, dat hier een tijdvak wordt behandeld van 1 Dec. 1945—1 Juni 1946. Alzoo een half jaar inkomsten, van wat aan giften, contributies en collecten binnen kwam. Dat is niet zoo héél veel, wèl ?
Dit valt u zeker toch wel tegen ? Ge moet niet vergeten, dat wij voorheen niet weinig verwend zijn geworden, 't Was voorheen een lust, het overzicht te lezen van wie als Pennigmeester mocht fungeeren. Wij zullen de mooie tijden, die achter ons liggen, niet licht vergeten. Wij en ook gij, lezers, zijn verwende kinderen. Wat dit beteekent: lastig voor ons zelf, lastig voor anderen.
Kunt gij nu boos zijn op een Penningmeester, die niets van zich laat hooren gedurende een heelen tijd ? Zoekt de oorzaak eens bij ja, zeg het maar, waar de oorzaak schuilt — bij geen vreemde. Laat het peillood eens zinken, niet in vreemde wateren, maar heel dichtbij, in uw allernaaste omgeving. Welke tijden beleven wij ?
Zegt niet de Profeet vanouds: „Wat klaagt dan een levend mensch ? Een ieder klage vanwege zijne zonden". Om met deze godddijke raadgeving te besluiten : „Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken en laat ons wederkeren tot den Heere". „Laat ons ons hart opheffen, mitsgaders de handen tot God in den hemel, zeggende : wij hebben overtreden en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard".
Hier behoeft geen enkel woord van nadere toelichting op te volgen.
Zoo kon het wel eens blijken, dat hierop een andere uitkomst werd verkregen, een uitkomst, waarin Godes Naam werd verheerlijkt, van onze kant een niets, van Zijn kant: de volheid en overvloed.
Immers zoo zingt ons de Psalmdichter voor :
't Behoeftig volk in hunne nooden, In hun ellend' en pijn, Gansch hulpeloos tot Hem gevloden. Zal Hij ten redder zijn.
Met deze toezegging besluiten wij deze keer. Daar zijn een drietal posten door mij nog niet gemeld. Deze, hopen wij, zullen in de komende weken wel met een enkele vermeerderd zijn. Zijt den Heere en Zijne genade bevolen.
Frans Halsstraat 18.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's