Doorbraak
Doorbraak, doorbreking, zijn welhaast modewoorden geworden. Men wil de richtingen in de kerk doorbreken, de werkorde heeft de Synodale organisatie van 1816 dqorbroken, de Partij van den Arbeid stelde zich voor de politieke constellatie te doorbreken.
De uitslag der verkiezingen heeft aangetoond, dat dit laatste pogen heeft gefaald. De uitkomst heeft bewezen, dat de Christelijke partijen voet bij stuk hebben gehouden.
Als wij ons hieromtrent op zich zelf verheugen, verhelen wij niet, dat wij het temeer betreuren, dat het niet tot één vereenigde Protestantsche partij is gekomen. Het positief belijdend Protestantisme heeft duidelijk uitgesproken, dat het geen medewerking kan verleenen aan een politiek, welke onmiskenbaar wordt geleid door de beginselen der revolutie.
Welke reactie dit zal hebben op de Protestantsche idealisten, die verwachtingen hebben gekoesterd van de Partij van den Arbeid en zich een politieke synthese hebben voorgesteld, valt uit den aard der zaak nog niet te zeggen. Dat idealisme is zoozeer verbonden aan hun theologische inzichten en opvattingen, dat men moeilijk kan verwachten, dat zij dit na de teleurstelling van de vorige week zoomaar zullen laten varen. Daaraan ligt een levens- en wereldbeschouwing ten grondslag. En deze blijkt een geheel andere te zijn dan die van de confessioneele groepen.
Aan den anderen kant mag men aannemen, dat er onder de leidende figuren van deze richting, want in werkelijkheid hebben wij hier weer met een richting van doen, althans indien zij zich eenigen aanhang van beteekenis kan verwerven — mannen zijn, die zich ernstig rekenschap zullen geven van het feit, dat het positief belijdend Christendom niet meegaat. Mogelijk zullen zij zich bezinnen op de vraag, of ook ten aanzien van hun kerkelijke politiek dit feit iets te zeggen heeft. Naar onze overtuiging is dit zeer zeker het geval. Wij denken daarbij aan de van diezelfde zijde ondernomen pogingen tot doorbraak der kerkelijke richtingen en het z.g. kerkelijk gesprek. De ervaring kon reeds geleerd hebben, dat alle pogingen, tot dusver ondernomen, in den grond der zaak op onverzoenlijke tegenstellingen afstuiten. Welbeschouwd dragen zij slechts bij tot nadere ontdekking van de onoverbrugbare kloof tusschen orthodoxie en vrijzinnigheid.
Wij ontkennen met dit al niet, dat er vrijzinnigen zijn, die in verschillend opzicht naar de orthodoxie neigen en het vrijzinnig standpunt allengs prijs geven. Over het persoonlijk geloof van dezen en genen en over den geloofsstrijd willen wij niet ooreelen.
Maar de vrijzinnigheid als beginsel van levensen wereldbeschouwing is ten eenenmale in strijd met de grondslagen en den geest van het Christelijk geloof.
De vrijzinnigheid wortelt in het geloof in den mensch. Zij is van huis uit en in wezen humanistisch. De moderne vrijzinnigheid is bovendien gebakerd in den geest der moderne verlichting, welke zich van het geloof in de openbaring en in de waardeering van de Heilige Schrift geheel en al verwijderd heeft van de kerk van Christus. Er kunnen dus wel vrijzinnigen zijn, en die zijn er, die dit inzien en tot ernstige bezinning komen op de genoemde geloofsstukken en op de heilsfeiten, maar daardoor wordt de vrijzinnigheid te meer gesignaleerd in haar van-anderen-geestzijn.
Indien nu het kerkelijk gesprek bedoelde vrijzinnigen te bekeeren tot het waarachtig Christelijk geloof, en een zekere soort van inwendige zending vertegenwoordigde, zou de zaak heel anders staan en ook geheel anders worden aangepakt.
Maar dat bedoelt men met de doorbraak der richtingen niet. Men begint met de richtingen te negeeren en stelt zich in beginsel op het standpunt, dat er geen richtingen zijn, omdat zij er, idealistisch gezien, niet mogen zijn. Ten eerste is dit een geweld doen aan de werkelijkheid en aan de geschiedenis. Daarin moge op zich zelf een veroordeeling zijn van de geschiedenis en de bekentenis, dat de leidende geesten in den loop der eeuwen en inzonderheid in de 18e en 19e eeuw blind zijn geweest voor de waarheid en geestelijke kracht van de Christelijke religie en de daarin verborgen bron van waarachtige levenskracht, maar men vergete niet, dat het humanistische streven, waaruit dit alles is opgekomen, de kerk welbewust in haar isolement heeft gedrongen.
Ten tweede voegt het dengenen, die door den nood der tijden tot ontdekking zijn gekomen van deze miskenning, niet herstel en vernieuwing te zoeken in den weg eener nivelleering der richtingen op den grondslag eener theologie, welke niet die der kerk is, en geen enkele kerkelijke sanctie heeft.
Daarmede komen wij aan het derde punt. Men droomt van een nieuwe kerk, van een opnieuw belijden, van een verdwijnen der richtingen, kortom van een kerkelijk en — wij moeten daarbij zeggen sociaal leven, van uit een theologische structuur, welke in het brein van zekere idealisten rondwaart. In de werkelijkheid echter is geheel deze structuur verwant aan de sfeer, waaruit het modernisme werd geboren, dat het zoekt te overwinnen. Het is een huis, dat tegen zich zelf is gekeerd. Intusschen klemmen zulke idealen zich vast aan de invloeden van de Christelijke religie, op het algemeen bewustzijn uitgegaan.
Deze theologische structuur wordt voorts gedragen door een wijsgeerige instelling op de z.g. waarheidsvraag, welke bij wijze van redeneeren wel geschikt voorkomt ten aanzien van de gelijkschakeling der richtingen, maar geenszins bevorderlijk kan zijn aan den opbouw der kerk.
De doorbraak der richtingen, die men op het oog heeft, zou dan ook slechts de heerschappij van deze nieuwe theologie beteekenen. En deze zou onderstellen, dat de orthodoxie haar geloof en de vrijzinnigheid haar vrijzinnig beginsel zou opofferen ter wille van deze Barthiaansche nieuwigheid. Dit alles houdt zoo weinig rekening met de werkelijkheid, dat zulk een poging op een dubbele teleurstelling zal uitloopen. Het positief belijdend Christendom zal volharden bij het overgeleverd geloof en de vrijzinnigheid zal zich geen stelsel laten opdringen.
Daarom is het te wenschen, dat degenen, die zich beijveren voor de z.g. doorbraak der richtingen, zich bezinnen op de werkelijkheid en op dezen weg terugkomen.
Zoowaar de theologie uit het leven der kerk wordt geboren, zoowaar is het ook, dat de kerk zich geen theologie laat opdringen, die ondanks al haar bewegelijkheid en bemoeienis, met het kerkelijk dogma niet uit den boezem der kerk is voortgekomen. Er is geen denken aan, dat deze theologie bij machte zal zijn de kerk van luit haar isolement in het centrum van het moderne cultuurleven te zetten. Indien het voor de kerk is weggelegd wederom een centrale plaats in te nemen en haar levenskracht op het volle leven te doen uitgaan, dan zal zulk een influëntie van haar eigen leven uitgaan.
Dit vraagt in de eerste plaats erkenning van het leven der kerk, erkenning ook van de gemeenschap van en met het leven van de kerk der eeuwen, erkenning van haar eigen getuigenis omtrent haar geloof, met name haar geloof omtrent en in de Godsopenbaring.
Men zal derhalve niet van een of ander speculatief begrip aangaande de openbaring, het geloof of de kerk moeten uitgaan, maar van de belijdende kerk, die er is, en van de belijdenis, welke zij nog steeds in eere houdt als getuigenis van haar geloof.
Men moet terug naar het punt, waar de wagen uit het spoor is geloopen. En dat punt ligt daar, waar de ontwikkelinig der theologie het geheel eigen beginsel, dat in het geloof is gelegen, heeft verlaten en in rationalistische banen is gegaan. Om de kerk uit haar isolement te bevrijden, moet men haar eerst wederom opzoeken in haar afzondering. Men kan niet volstaan met een boeteprediking over alles, wat zij niet heeft gedaan, als men bedenkt, dat de geest der verlichting allerminst van haar gediend wilde zijn.
En het is op zijn minst onbillijk om haar in een van haar vervreemde en ontkerstende wereld voor de taak te stellen als in een oogenblik den ontredderden boedel van de moderne cultuurhuishouding te regelen. En dat met aanpassing aan de beginselen, die tot zulk een verwarring hebben geleid en in een tempo, dat gelijken tred houdt met het moderne leven.
Laat de kerk vergaderd worden op haar eigen belijdenis om vandaar met de geestelijke vragen des tijds onder de oogen te zien en haar arbeid in te zetten. Alleen zoo kan de kerk zich zelf zijn en haar roeping vervullen, haar geestelijke kracht naar buiten openbaren.
Indien men op die wijze ernst maakt met de formule in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en op den bodem der belijdenisgeschriften in overeenstemming met het reformatorisch geloof, zal het interne kerkewerk niet alleen de algemeene belangstelling winnen, maar zal ook een grond van vertrouwen gelegd worden en de voorwaarde tot vruchtbare en doeftreffende besprekingen gegeven zijn.
De kerk heeft nu eenmaal een eigen wezen en een eigen leven en alleen in de volledige erkenning daarvan kan het kerkelijk leven opbloeien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's