De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet.

FEUILLETON

4 minuten leestijd

Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina,

Zoo verliep de eerste maaltijd in het vaderland. De meesten hunner hadden zich sedert weken niet meer aan warm en goed toebereide spijzen kunnen verzadigen. Een gevoel als van smulpapen en een ietwat lichtzinnige stemming van menschen, die het heel erg goed hebben gehad, kwam over hen. Nog één keer lieten zij de soepterrines en de rijstschotels vullen, en nu eerst, nadat hun ergste honger gestild was, begonnen zij er eigenlijk van te genieten. De scherpe trekken ontspanden zich. 'n Vreedzaam woord werd hier en daar al gesproken, en zij noodigden elkaar grootmoedig uit om de rest nu ook nog op te eten.

Eindelijk waren allen werkelijk verzadigd, en toen gevoelden zij als een behagelijke rust, dat zij na zware inspanning eindelijk aan hun doel waren ontslagen van den gevaarlijken plicht der piëteit tegenover het doode kind en ontkomen aan al die krenkingen, waar zij gedurende de feis zoo herhaaldelijk aan hadden bloot gestaan. Zoo kwam nu al heel spoedig de volle verslapping over hen allen. De vertrekken met hun donkere wanden, de donkergekleurde meubelen en de berookte plafonds lagen in het schemerlicht, en slechts door één enkel smal venster kwam het daglicht binnen. De ramen waren gesloten en de zware zwoelte daarbinnen werd nog vermeerderd door de etenslucht. Zij leunden nu tegen de recht opstaande leuningen, van hun stoelen, of tegen de muren, die een rugsteun vormden voor de banken, keken recht voor zich uit en daarbij vielen hun oogen bijna dicht. De ledematen werden slap, het was alsof de vlam van hun bewustzijn lager begon te branden. Breeduit gingen zij zitten en verzonken nu in een behagelijk nietsdoen, terwijl zij tegelijk o zoo zeker en gelukkig nu waren. Immers, waar zou thans eenige schrik vandaan komen? Waar vandaan zou eenig onheil hen beloeren? Wat kon de wereld hun nog doen? In de volgende dagen begon ieder hunner zich een nieuw bestaan op te bouwen. Waar ? Hoe ? Het was teveel, om zich dat alles nu in te denken. Genoeg, het was zoo ! En alles was nu immers heel goed.

Den een na den ander zonk het hoofd op de borst, hun armen kruisten zich op de tafels als kussens voor hun voorhoofd. Bij anderen, die achterover leunden, ging de mond steeds wijder open, de kin naar beneden en de lippen wijd uit elkaar, en duidelijk hoorbaar weerklonk sommiger gesnork.

De blinde Suze had zich tegen haar dochter aangevleid, en zij sliep vast, doch ook Rea's hoofd was voorover gezonken, zoodat zij met haar wang rustte op het hoofd van de oude moeder. De kinderen sluimerden ook. Men had kunnen gelooven, dat er een slaapmiddel met de spijzen gemengd was geweest. Maar dat slaapmiddel was niets dan de eerste moedertroost van het vaderland.

Eén slechts streed nog een korten tijd tegen de vermoeidheid. Dat was Lemberger, de koopman, die het afgekloven bot van zijn bord en de overige botjes van de anderen nam en die in zijn buidel stak, — daar, waar ook de gemzebeenderen zich bevonden, die hij op zijn tocht door het Tatragebergte had gevonden. Nergens had hij sindsdien gelegenheid gevonden ze te verkoopen, maar hij had toch ook niet de vrijmoedigheid gehad ze weg te werpen. Daarom had hij ze door al die rijken en landen maar meegesleept, en hij beschouwde het nu als een goed voorteeken, dat hij den grondslag voor zijn toekomstige zaak reeds naar zijn nieuwe vaderland kon meebrengen. Toen hij zijn buidel had dichtgeknoopt, zette hij zijn stoel op zij tegen den wand, zoodat de leuning daarmee een hoek vormde, en hij sliep een oogenblik later niet minder vast dan de anderen.

Na een poosje deed de fellah-meid de deur open, om het eetgerei af te nemen ; zij keek eens om zich heen en trok zich toen weer gauw behoedzaam terug. Zoo'n soort slaagziekte was bij de Joodsche menschen, die daar in de havenstad aankwamen, niets ongewoons. Zij kende dat al. Buiten riep zij de kinderen des huizes toe, om zich, wat stil te houden, en zij deed ook nog de deur van het voorvertrek dicht . . . . . . .

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's