DOGMATIEK
DE SCHEPPING
Naar Gods Beeld geschapen.
Zoo leert dan de Heilige Schrift, dat God, de Heere, den mensch heeft geschapen naar Zijn Beeld. En het is van groot belang niet alleen voor de kerk, maar ook voor de gansche menschelijke saamleving, deze goddelijke leer in voortdurende gedachtenis te houden. Zij geeft toch een antwoord op een der gewichtigste levensvragen, welke bij lederen mensch vroeger of later opkomt en welker beantwoording van zoo overwegende beteekenis is voor zijn levensinstelling en beschouwing. „Van waar zijt gij ? " Dat is de groote levensvraag. En een tweede, daaraan onmiddellijk verbonden : „Waarheen gaat gij ? "
Wetenschap noch wijsbegeerte zijn bij machte op deze groote vragen het antwoord te geven. Wel worden zij door deze vragen bewogen en wagen zij zich aan onderstellingen en beschouwingen, doch wie zich op dat pad begeeft, heeft den vasten bodem der wetenschap reeds verlaten. Niettemin heeft de moderne verlichting zich van de Schriftuurlijke leer der schepping zoover verwijderd, dat zij ook zelfs door vele theologen niet ernstig meer wordt genomen.
De 19de eeuw zag een geest heerschappij nemen over de menschen, die alles uit de natuur zoekt te verklaren. De menschheid verviel in een — zij het ook verschillend getint en op onderscheidene wijze voorgedragen naturalisme. Het ontbrak niet aan talentvolle dichters, die onder de bekoring van de schoonheid der schepping tot natuurvereering ontroerd, velen tot een soort van moderne natuurgodsdienst bewogen. De natuur werd vergoddelijkt en de mensch in de natuur als ware hij een goddelijke vlam.
Zoo zocht men in een religie van schoonheid en kunst bevrediging, terwijl men den Christelijken godsdienst verachtte. En het behoeft niemand te verwonderen, dat de mensch daarbij tot zelfvergoding moest vervallen.
Deze afgoderij behoort dan ook tot een der kenmerken van de 19de eeuw. De waarachtige religieuse ernst verdween allengs meer en meer en werd in een hoek gedrongen. De beschouwingeri omtrent religie en godsdienst naderden steeds meer tot, de grove critiek van het verlichte klassieke heidendom. Uitingen als religie, is een uitvinding der priesters om het volk te onderdrukken, en dergelijke, deden weer opgeld.
Omstreeks het midden der 19de eeuw verhief de goddeloosheid zich in den vorm van het meest grove materialisme. Ook het zieleleven van den mensch zou slechts een uiting van stoffelijke processen zijn. Weliswaar is dit reeds spoedig van verschillende zijden op wetenschappelijke critiek gestuit. Dit heeft echter niet kunnen verhinderen, dat de onverantwoorde beweringen en beschouwingen uit de school van dit grove materialisme, veelal in populairen vorm geschreven, onnoemelijke schade aan het geestelijk en zedelijk leven van den mensch heeft gebracht. Een platvloersch naturalisme maakte zich van breede volkslagen meester.
Het behoeft niet gezegd, dat dit alles ook zijn gevolgen moest hebben voorde waardeering van den mensch. Deze kon niet anders dan een product der natuur zijn. Ook de natuurwetenschap volgde den invloedrijken wijsgeer, die de gansche wereld onder de idee eener gestadige ontwikkeling van het eene allesomvattende leven zag. Alle levensvormen zocht de nieuwere wetenschap uit zulk een voortgaande natuurlijke evolutie (ontwikkeling) te verklaren. Zoo zouden de z.g. hoogere levensvormen uit lagere zijn voortgekomen en zoo moest ook de mensch zijn voorgeslacht zoeken in de dierenwereld.
Daarmede kwam men niet alleen verder van de religie af te staan, maar voor God, noch religie kon in zulke beschouwingen nog plaats zijn. Indien men aan het Godsbesef nog eenige beteekenis wilde toestaan, dan moest de godheid toch altijd op eenige wijze gelijk gesteld worden met de heele natuur. En zou religie nog zin hebben, dan kon het moeilijk een andere zijn dan een natuurgevoel, dat zich uitte in natuurvereering, een werking van het overal bruisende leven. Een levensgevoel, een drang naar zichzelf, naar verwezenlijking van wat nog niet was, een impuls naar de hoogste ontplooiing van den mensch zelf. Zoo werd de godsidee niet anders dan een schim van den idealen mensch en de mensch tot een wordende god.
Uit den aard der zaak is hiermede geen recht gedaan aan het religieus gevoel, dat gepaard , gaat aan het besef van een boven de wereld verheven God en onafscheidbaar verbonden is met het gevoel van afhankelijkheid. Deze beide verschijnselen worden door den geest van het naturalisme ten eenenmale miskend of genegeerd. Veeleer streeft de moderne mensch naar overwinning van het gevoel van afhankelijkheid door zich te sterken in een machtsbesef, dat groeit met zijn heerschappij over wat hij noemt de natuur. Hij trekt een wissel op zijn zelfvertrouwen voor een toekomst, waarin ook de belemmeringen van zijn huidig bestaan zullen worden overwonnen.
En zelfs na de ontstellende ervaring der laatste jaren toont hij zich niet bereid afstand te doen van den mensch zijner verbeelding. Integendeel, ondanks zoo vele verschijnselen van reactie, beweegt hij zich nog geheel in de naturalistische sfeer. De vraag van waar ? moge hem verontrusten. Levensangst moge hem soms beklemmen. Hij zoekt te ontvluchten uit de verlegenheid van het hu en het hier, uit den chaos van het oogenblik en volhardt in zijn streven. Het goede in het veracht verleden, door zijn conservatieven medemensch met taaiheid omklemd, weet hij niet te waardeeren. Hij staat té ver af, te zeer vervreemd van de bron van geestelijke kracht. Hij vreest, dat alles in te boeten, wat hij aan vermeende vrijheid won, en kan niet inzien, dat hij een slaaf is van zijn zelfzucht.
Zoo vindt hij een holle wereld, een leegheid van waarachtige geestelijke kracht, een saamleving zonder zedelijke banden, gebrek aan waarlijk sociale saambinding. Vandaar de roep om sociale gerechtigheid, een schreeuw van heimwee, die vergeefs redding verwacht van het zich opdringend socialisme.
Sociale gerechtigheid — wat is dat? Deze uitdrukking is zelfs in Christelijken kring gangbaar geworden. Is sociale gerechtigheid soms een zekere soort van gerechtigheid, welke met de hoogste normen der zedelijkheid niets te maken heeft?
De mensch is een sociaal wezen. Daarom vindt hij zijn medemensch. Daarom kan hij zonder zijn medemensch niet leven. Daarom is hij aan zijn medemensch gebonden, aan hem over en weer verplicht. En hij is aan zijn naaste verbonden volgens de normen van zijn levenswet. Dat is gerechtigheid. Zij stelt een eisch aan een iegelijk persoonlijk. Indien men alzoo een goeden zin wil toekennen aan de uitdrukking sociale gerechtigheid, dan zou dit alleen kunnen beteekenen, dat de saamleving overeenkomstig de normen van de goddelijke levenswet werd gericht.
Dit stelt niet alleen den eisch aan de kerk om gerechtigheid te prediken, aan de overheden otn gerechtigheid te handhaven naar de norm van Gods wet, maar een iegelijk mensch is gehoorzaamheid schuldig aan de geboden Gods. In dien weg alleen kan de gerechtigheid worden gevonden, die het volk verhoogt.
Al ontbreekt het niet aan stemmen, die daartoe vermanen, de bereidheid om zich aan dien eisch te onderwerpen wordt nog slechts schaars gevonden. Hoevelen hebben in den nood der tijden weer naar den Bijbel gegrepen? Hoe kon men vernemen uit den mond van velen, die verleerd hadden bij Gods Woord te leven, dat de profeten weer gingen spreken? En de profeten spreken nog. „Wie onder ulieden neemt zulks ter oore ? Wie merkt op én hoort, wat hierna zijn zal ?
Wie heeft Jacob tot een plundering overgegeven, en Israël den roovers ? Is het niet de Heere. Hij, tegen Wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijne wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.
Daarom heeft Hij over hen uitgestort de grimmigheid Zijns toorns en de macht des oorlogs ; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, doch zij merken het niet ; en Hij heeft ze in brand gestoken, doch zij nemen het niet ter harte". (Jes. 42 vs. 24 v.).
In een korte en onvolledige schets trachtten wij duidelijk te maken, hoe de mensch tot allerlei waandenkbeelden komt, als hij de leer der Heilige Schrift verlaat. Daaruit moge gebleken zijn, van hoe groote beteekenis het is ook voor het welzijn des volks, als het blijft in de beproefde paden des geloofs. En voorts, hoezeer het noodig is, dat de kerk wake over de gezonde leer en een krachtigen strijd inzet voor de waarachtige theologie, opdat zij niet worde prijs gegeven aan allerlei wind van leer.
Zoo staan onze predikanten en theologen voor een groote taak. Niet alleen in de leiding der gemeenten, maar ook in de verdediging van de reformatorische theologie. Dat beteekent in de eerste plaats studeeren.
Wij hebben ons deze meer practische afdaling veroorloofd, opdat men zich rekenschap moge geven van de groote belangen, die op het spel staan.
Het is zoo noodig voor den mensch om altijd weer herinnerd te worden aan zijn schepping en daardoor aan zijn oorsprong, wezen en bestemming. En zij, die daarvan iets in eigen boezem verstaan, weten, hoe God ons in Zijn Woord menigvuldig daarbij bepaald wil hebben. Dat zou zoo niet zijn, indien het onverschillig ware, hoe wij over deze dingen denken.
En niemand beelde zich in, dat het voornamer, meer wetenschappelijk en meer in overeenstemming met de waardeering van den mensch zou zijn, als hij zich overgeeft aan de waandenkbeelden van een ijdele philosophie. Want nóg eens. Geen wijsbegeerte kan ons aangaande die drie belangrijke vragen omtrent onzen oorsprong, ons wezen en onze bestemming eenige betrouwbare inlichting verschaffen. Dat ligt alles buiten ~ het terrein der profane wetenschap.
Alleen Hij, die zich in Zijn eeuwigen Raad heeft voorgenomen. Zich te openbaren door het Woord Zijner scheppende Majesteit, Hij kan Zijn goddelijk licht doen opgaan over de dingen, die geen mensch heeft gezien, geen oor heeft gehoord en die in des menschen hart niet zijn opgeklommen. En die God heeft daarover Zijn licht doen opgaan en Hij doet het ook door Zijn Woord en Geest verstaan, dat Hij den mensch naar Zijn Beeld heeft geschapen.
In dat Beeld is alzoo ook het wezen én de bestemming van den mensch uitgedrukt en gelegen. Gelijk alle dingen tezamen in den Christus bestaan, en het wezen van alle dingen in Hem gegeven is, zoo ligt ook het wezen van den mensch in Hem.
Het wezen van alle dingen in Hem. Ook het wezen van den mensch in Hem. Welk een voorrecht!
Een voorrecht? Waarom? Omdat uit dien hoofde het wezen der dingen en ook het wezen van den mensch onaangetast bleef van het verderf.
De zonde is in de wereld gekomen. Satan en mensch zijn gevallen. En de verderfelijke werking der zonde hééft den luister der schepping aangetast. De vloek des Heeren over de wereld. Het gansche leven een raadsel. Als God goed is __ en Hij is goed —, als die goede God de wereld geschapen heeft, hoe kan zij dan zoo vol ellende zijn?
Ziedaar de vraag, die velen en daaronder de meest begaafde menschen heeft bezig gehouden en nog tot benauwens toe bezig houdt.
En zij komen er niet uit. Zij vinden geen sluitrede. Tenzij, tenzij God spreekt als tot Job en zij de hand op den mond leggen. God de Rechtvaardige, en de mensch een zondaar. Door de ongehoorzaamheid van één is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood. (Rom. 5). Een schrikkelijke nacht viel over de wereld en het verderf wroet voort in de donkere levensschachten. Opstijgende uit de krochten der zonde spreidt het een kleed van rouw en van wee over het leven.
Verloren en zonder hope ! Gode zij dank, neen. Want Hij heeft zich voorgenomen in Christus alle dingen wederom tezaam te vergaderen. (Efeze 1 vs. 1).
In Christus ! Want immers in Hem bestaan alle dingen tezamen. Het wezen der dingen is in Hem en het is niet aangerand door het verderf, omdat het in Hem is. De creatuurlijke gestalte werd aangerand. De dingen, die wij zien, werden aan het verderf onderworpen. En zoo werd de naar Gods Beeld geschapen mensch door de zonde in het verderf gesleept. Maar, als de Heere Zijn Christus zelfs heeft overgegeven in den dood, heeft het verderf Zijn Heilige niet verslonden. Hij is opgestaan in heerlijkheid. Dood en verderf hebben Hem niet kunnen schaden. Hij is Overwinnaar.
De Catechismus heeft het goed begrepen. Hij spreekt van de verdorvenheid der menschelijke natuur. (Vr. 7). Onze natuur, d.i. onze aardsche gestalte, onze geschapen levensopenbaring, ons creatuurlijke zijn en bestaan werd in al zijn geledingen en bewegingen verdorven. Maar het wezen, het Beeld, naar hetwelk wij geschapen werden, was in Hem, dat kon niet door de zonde van Adam worden verwoest. De aardsche mensch beantwoordt daaraan niet meer en mist daarom zijn bestemming en is verloren. Om het nóg eens te zeggen: het wezen van den mensch, dat in den eersten Adam creatuurlijke, aardsche gestalte had verkregen door de scheppende daad Gods, was en is in den Christus onverdorven bewaard. Want het wezen is met Christus verborigen bij God, gelijk ook de Heilige Schrift betuigt van het leven van Gods kind. (Col. 3 : 3). En een andere Schrift spreekt niet minder duidelijk : want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen. (Efeze 2 vs. 10).
Zoo heeft Hij zich voorgenomen den gevallen mensch naar Zijn welbehagen in een nieuwe en eerlijke gestalte te herscheppen in Christus Jezus, opdat Hij op een eeuwige en geestelijke wijze gelijkvormig zou zijn aan Hem. En zoo neemt God zelf de verdorven en ten ondergang gedoemde schepping in Zijn Christus weer op, opdat zij de nieuwigheid des levens in een onverderfelijke eeuwigheidsgestalte zal aandoen door Zijn jierscheppende kracht en heerlijkheid, en aan haar wezen en goddelijke bestemming zal beantwoorden.
Als de apostel Paulus dan ook veelvuldig de uitdrukking „in Christus" gebruikt, is dat niet ontleend aan een heidensche mystiek, zooals sommigen willen beweren, maar openbaring van het licht, dat God in zijn hart ontstoken heeft over de verborgenheid van Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's