Da Costa
over de Opstanding der dooden. (1 Cor. 15)
En dat Hij is begraven. Ook de vermelding hiervan is van groot gewicht. Hoe eenvoudig was die begrafenis, en toch, kon er iets plechtiger gedacht worden ? En er waren genoegzame getuigen bij. Gij weet, het ongeloof, dat alles aanwendt om zichzelf te rechtvaardigen, heeft ook den dood van Christus als een schijndood, een bezwijming voorgesteld, uit welken de Heere door den sterken geur der specerijen, weder zou ontwaakt zijn. Zij begrijpen niet, dat een gekruisigd lichaam, ook al ontwaakt het uit eene bezwijming, maanden zou noodig hebben om weder genezen te worden. Doch de begraving snijdt ook deze dwaasheden ten eenenmale af. Wie begraaft een innig geliefde, zonder volkomen overtuigd te zijn dat hij waarlijk gestorven is. Het denkbeeld alleen doet ons verschrikken. Voor mij is dan ook de begraving een der verhevenste, heerlijkste-handelingen na den dood des geliefden. De begraving verzoent ons reeds met den dood. Alsdan rust de doode volkomen, hebben alle bemoeiingen ook met het lichaam opgehouden.
Vóór de begraving verwekte het nog groote drukte en beweging, doch nu is ook het lichaam die volmaakte rust ingegaan, die zijn geest, was zij des Heeren, ingegaan is, en wacht hem enkel aan het einde der dagen die verheerlijking, waarmede reeds nu zijne ziel bekleed is. Zelfs op een schip is de begraving eene plechtigheid. Al de scheepslieden nemen hunne hoeden of mutsen af, en de kapitein, als hij een ernstig man is, spreekt een ernstig woord tot de manschappen, die in diepe stilte het lijk op de verschansing dragen en daarna glijdt de met zwaarte voorziene lijkkist af in het groote graf, de wijde, wijde zee, opdat zij den bodem rake, waar zoovele overblijfselen rusten van de dooden, haar toevertrouwd, over welke hare golven onafgebroken het statig graflied laten hooren, bruisend bij stilte en huilend in den storm. O, de zee is eene groote openbaring der grootheid Gods, en zij zal Hem blijven verheerlijken, tot zoolang dat Hij ook uit de zee Zijne hoogste heerlijkheid zal openbaren, door te gebieden dat zij zich opene en hare dooden wedergeve. Alleen de heidenen zijn tegen de begraving van het lichaam. Zij verbranden het, gelijk men een vermolmden boom verbrandt. Zij kennen de opstanding der dooden niet, en hooren zij er van, dan spotten zij er mede. Zij hebben geene hope voor het lichaam, en willen er geene hebben, daarom willen zij er iets van overhouden en bewaren tot eene gedachtenis. Zij geven het dan ook niet terug aan de aarde, waaruit het gekomen is, maar doen het opgaan in de vlam, en, verzamelen dan de asch der beenderen in een fraaien urn (lijkbus) en besproeien die met welriekend water, en zetten dien in een nis, een hoekje van het woonvertrek of op den schoorsteenmantel. Daarmede willen zij het lichaam verheerlijken. Is het niet eene arme verheerlijking ? — De Roomschen overdekken het lijk met bloemen, veranderen de kerkhoven in lusthoven, in aardsche paradijzen, zooals de Pèra la Chaise te Parijs, waar het nooit stilstaat van offeren van versche bloemen op de graven van geliefden. — En wij Protestanten houden veel van toespraken bij het graf, waaronder velen, vooral bij het graf van groote mannen, worden gehouden door mannen, die den doode bij zijn leven het meest gekweld hebben ; doch de stem des gewetens moet bevredigd worden Zulk eene lofrede moet de vroegere smaadredenen weder goed maken, de tombe van den profeet moet in orde zijn. ''En wat zeggen wij er van ? Dit alles is leugen, is schijn, is misleiding, is verbeelding. Alleen de opstanding tot heerlijkheid in Christus geeft waarde aan de begraving. Het is alleen daardoor een nederleggen van zaad in de aarde, waarin het wegzinkt voor den mensch, maar niet voor God, voor wien geheel de aarde een lijk kleed is, door Hem gedragen met de kracht, waarmede Hij alle dingen draagt, en waaruit het niet meer gezien zal worden dan op den jongsten dag, als een lichaam der heerlijkheid, Nochtans ook de genoemde verkeerdheden onder de Roomschen en ons zijn zoo vele huldigingen aan het verheven denkbeeld van begraven. Ook zijn er vele uitzonderingen op deze verkeerdheden, Hoe menig liefhebbend hart spreekt ook nog zijn liefde uit over dien nooit genoeg beweende in de kist, boven het graf, met dankzegging tot God voor het overkostbaar geschenk, door Hem gegeven en nu weder genomen. En nu de begraving van onzen Heer ! Hoe werd de verachte reeds daarbij hoogelijk verheerlijkt. De smaad was geweken. Men had Zijn graf bij de goddeloozen gesteld, maar in Zijnen dood is Hij bij de rijken, geweest. De vertegenwoordigers van geheel den adel der Joden namen Hem af van het kruis en begroeven Hem op de meest eervolle wijze. En reeds was de hoogste verheerlijking door de opstanding in de kiem. Niets geschiedt in de natuur zonder overgang, hoe kort dan ook ; geen nacht wordt dag zonder voorafgaande schemering. Zoo was ook de begraving de overgang tot de opstanding, en zoo werd Christus, de Volmaakte, ook op volmaakte wijze verdedigd in Zijn lijden. Wat kon het bij mogelijkheid anders geweest zijn dan een lijden voor de zonde. Geen ander lijden is hier denkbaar. Wie indenkt, wat Hij geleden heeft voor menschen en voor God, moet tot de overtuiging komen : het was eene voldoening voor God, het is eene verzoening voor mij.
(Wordt vervolgd).
Drukker: Maassluissche Boekhandel en Drukkerij, Noordvliet 47, Maassluis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's