De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Da Costa

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Da Costa

6 minuten leestijd

over de Opstanding der dooden (1 Cor. 15)

En dat Hij is opgewekt ten derden dage. Evenals de zon opgaat uit de nacht, zoo Christus uit het graf, ook in de Schrift. Was er ooit zulk eene rust geweest als die van den Heere? Was het niet de volmaakte uitdrukking en verwezenlijking van het Woord, door Hemzelf van den dood der Zijnen gebezigd. — Geen dood, maar slaap. Hij is gestorven, maar Hij heeft het verderf niet gezien, Hij slaapt den doodslaap alleen om te ontwaken — na drie dagen, lang genoeg om te bewijzen, dat Hij menschelijk gestorven was, en deze opstanding te doen volgen. Gij kent de belangrijkheid van het drietal in de Schrift, het wijst op eene volheid van inhoud. Drie gedeelten van dagen moesten er verloopen van Vrijdagavond tot Zondagmorgen. De eerste dag der week moest de dag der nieuwe schepping zijn, gelijk hij die der eerste schepping was.

Naar de Schriften. Ook de begraving en opstanding was voorzegd in de Psalmen en door de profeten. Gij herinnert u dat van Johannes bij zijn komst aan het ledige graf gezegd wordt (Joh. 20 vs. 8, 9) : Hij geloofde, want zij wisten de Schrift niet, dat Hij van de dooden moest opstaan; en dat de Heere de Emmaüsgangers berispte, niet, omdat zij de vrouwen niet geloofd hadden, maar omdat zij niet geloofden al hetgeen de profeten gesproken hadden. (Lukas 24 vs. 25). De getuigenis van het vast profetisch woord gaat in de Schrift vóór het mondeling getuigenis.

En dat Hij is van Céfas gezien. De apostel beroept zich op Petrus, door hem te noemen als de eerste van de apostelen, die den Heere gezien hebben. Met verrukking, met verbazing, met bedwelming roepen de andere apostelen dan ook den Emmaüsgangers toe : De Heere is opgestaan en aan Simon verschenen ! De vrouwen worden niet genoemd, deze treden in zulke zaken minder naar buiten, als behoorende tot den meer innerlijken, doch daarom niet minder heerlijken kring der gemeente. Ook noemt Paulus de Emmaüsgangers niet; hij spreekt tot de zich groot achtende gemeente van Christus, en noemt haar alleen groote zaken, de getuigenis van mannen, die klinken als een klok. Ook bij hem geldt de regel: geen overdaad, geen bewijzen, die niet noodig zijn.

Daarna van de twaalven. Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broederen op eenmaal, van, welke het meerendeel nog overig is, en sommigen ook zijn ontslapen. Ontslapen, niet gestorven : ontslapen beteekent in de Schrift: in God, in Christus sterven. Deze groote vergadering van vijfhonderd broederen had plaats in Galiléa, na de herstelling van Petrus in zijne bediening. Voorzeker, dat was eene wolk van getuigen voor de opstanding des Heeren, daar de meesten nog in leven waren. De zaak kon dus navraag lijden. Waarschijnlijk beroept Paulus zich dan ook niet op Stefanus, omdat deze ontslapen was, en dus geene getuigenis kon geven. Maar toch is het zeer opmerkelijk, dat Stefanus en Paulus de twee laatste mannen zijn, die den Heere na Zijne opstanding gezien hebben. Dit zijn van die Goddelijke bijeenvoegingen en verrassingen, die wij meermalen in den Bijbel aantreffen.

Daarna is Hij gezien geworden van Jakobus, daarna van al de apostelen. Alles ging bij opklimming, als bij het opgaan der zon. Jakobus was de broeder des Heeren, bij wien zich al de apostelen vergaderden, dus ook dezulken, die behalve de twaalve, het officiëele, afgesloten vaste getal apostelen, door den Heere tot bijzondere diensten en zendingen geroepen, zullen geweest zijn, en een maaltijd hielden met Hem, alvorens op te gaan naar den Olijfberg, om op te varen ten hemel, Niet naar het graf had de Heere een stoet tot geleide, maar naar Zijn opgang ten hemel. Heerlijk Evangelie, dat op enkel gebeurtenissen rust, en dat niet door redeneeringen de opstanding der dooden bewijst, maar door eene gebeurtenis, door hetgeen in Christus geschied is, ondersteund door de veelvuldigste, machtigste, onwraakbare getuigenissen van ooggetuigen.

En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene gezien. Dit zegt wat, na zoo vele voorafgaande getuigenissen — ontijdig geborene, eene beleefde en verzachtende uitdrukking voor het oorspronkelijke woord, dat misdracht, misgeboorte beteekent, Paulus was ook niet ontijdig (te vroeg), maar te laat geboren. Opmerkelijk, Maria Magdalena opent de rij van hen, die den Heere zagen, en Paulus sluit die.

„Want ik ben de minste van al de apostelen, die niet waardig ben" een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb". Gelijk men eene misgeboorte geen mensch noemt, en ook geen naam geeft, zoo kent ook Paulus zichzelven niet het apostelschap toe, ook niet in naam. Toch noemt hij zichzelven een apostel en handhaaft hij zijn naam als zoodanig, Kan dit samengaan ? Zeker. Bij ieder Christen kan een gevoel zijn van hetgeen hij is in Christus (een Christen) en van hetgeen hij in zichzelven is (eene misgeboorte). Daarom drukt Paulus ook zoo op de woorden, dat hij het Evangelie niet had ontvangen van eenig mensch, maar onmiddellijk van den Heere. Men moet zijne geestelijke gewaarwording in orde achter elkander stellen, en niet het eene gevoel door het andere uitroeien. Ook mag men niet wegwerpen, wat God geeft. Het is ook hier : de arme gevoele zich rijk in God, en de rijke arm.

Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijne genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen ; doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is". Hij verkleint zijn arbeid niet, hij spreekt geene onwaarheid uit nederigheid, maar stelt zijne meerdere werkzaamheid op den voorgrond tot meer roem van Gods genade, die den onwaardigste met de hoogste eer verwaardigde. God had hem een grooter veld dan al de anderen tezamen ter bearbeiding gegeven — de Heidenwereld.

„Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzoo prediken wij". Op dezen grond komt Paulus tot de zaak, Onze prediking (wil hij zeggen) is één en daarop komt het aan, en op uw geloof. Voorwerpelijk moet de waarheid een geheel zijn ; eenzijdigheid is die eenheid verbreken. Onderwerpelijk kan men zich zeker behelpen met gedeeltelijke waarheid. Men kan leven ook met één been, doch niemand zal zeggen, dat het een regelmatige toestand is.

„Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de dooden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geene opstanding der dooden is? " Het blijkt hier, dat sommigen wel de opstanding van Christus aannamen als een bijzonder geval, in verband staande met Zijn lijden en sterven en latere hemelvaart, doch zij ontkenden de opstanding der dooden in het algemeen, de opstanding van al de dooden. Bij hen was zij, gelijk zij nog bij vele Christenen is, niet eene opstanding des lichaams, maar eene zedelijke opstanding, eene Christelijke onsterfelijkheid der ziel. Altijd beginnen de tegenwerpingen zeer geestelijk. Men zegt: de ziel is de meerdere, het lichaam het mindere, doch tenslotte loopt het uit op de geheele verwerping van het lichaam. Ook acht men de opstanding des lichaams onmogelijk. Onmogelijk? alsof de Schrift van iets anders spreekt dan van onmogelijkheden voor ons verstand en onze krachten. Ja, wat is onmogelijk?

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Da Costa

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's