Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina
De mannen namen hun stokken en gingen met hem mee naar buiten. Alleen Mandel wou den middag gebruiken om door een bad en de verder nog voorgeschreven ceremoniën zich te reinigen. Hij had zijn schoonvader gevraagd om bij de autoriteiten ook voor hem een goed woordje te doen, en hij had vooruit reeds heel goedig verklaard, zich bij alles te zullen neerleggen, wat deze voor hem zou weten tot stand te brengen. Een bank stond voor de deur in de schaduw. Hier leidden Mandel en Rea de blinde heen.
Een 9 jarig meisje, de kleine Mannia Zalig, die van ouds een bijzondere voorliefde voor haar had doen blijken, en die ook op reis meestentijds zich in haar buurt had opgehouden, beloofde, dat zij bij haar blijven zou.
Hier zaten dus nu die twee ; zij letten op al het verkeer van de stad, en Mannia vertelde voortdurend, dat zij zag en wat haar bijzonder opviel. De ongeplaveide straat was heel druk ; het leek op een groot kluwen. Tusschen Europeesch gekleede mannen en vrouwen, tusschen kaftans en kalotjes van de Joden, slenterden langzaam en voornaam de Oosterlingen met hun halfnaakte voeten door het zand. Zelfs de Inheemsche arbeiders schenen geen haast te hebben, zij droegen lasten en duwden gevulde karren voort, alsof dat alles een plezierwerkje was, en alsof de lasten, die zij op hun hoofd droegen, als sieraad waren bedoeld. Schuin tegenover hen bevond zich 'n winkel, waar groenten en fruit door overhangende biezematten wel tegen den zonnegloed werden beschermd ; maar tegen het stof was niets te doen. De koopman zat gehurkt op een tapijt, en van tijd tot tijd riep hij: „God is de blijvende — de blijvende is God!", zeker om aan te duiden, dat zijn rozijnen, dadels en abrikozen, vruchten waren, die lang goed bleven. Daar tusschendoor riep een voorbijgaand sinaasappelenkoopman : „Honig — sinaasappelen — honig !" De kinderen gingen om hem heen staan en Rea kocht in den winkel wat dadels en bracht die aan haar moeder en Mannia. Toen verwijderde zij zich snel met haar man om vóór zijn reiniging nog één keer in zijn gezelschap de begraafplaats te bezoeken. Maar Mandel kocht onderweg ook voor haar en zichzelf een sinaasappel, want hij was in een eenigszins overmoedige stemming geraakt. „O, Gij Alvoeder ! Gij, Alzegenaar, Gij, Alwetende !" zoo klonk hun nog achterna ter bekrachtiging van al het goede, dat de verkooper reeds over zijn waren had gezegd. Toen zij daar boven een poosje bij den heuvel hadden gestaan, legde Rea stil haar sinaasappel naast den ruiker wilde bloemen, dien zij 's morgens daar had geplaatst. Dat kleurde tegen den gelen grond goed en vroolijk, zooals zoo'n vrucht kleurt in de hand van een kind, en Mandel liet zijn vrouw rustig begaan, ofschoon hij 't in zijn hart dwaas vond. Hoewel hij een zoon van zijn vader was, had hij in de familie Tulpenbloesem reeds geleerd om menigmaal het nuttige achterwege te laten en 't schijnbaar dwaze te doen, als dat mooi of vriendelijk of billijk was.
De herberg bevond zich midden in het Jodenkwartier. De straat was onregelmatig gebouwd, eng en smerig. Half-verwilderde honden zochten in de goten, die als afwatering dienst deden, naar voedsel, en vochten met elkaar in woedende troepen, als er hun iets uit een van de huizen werd toegeworpen. Maar Suze luisterde naar 't spreken der voorbijgangers, en als de klanken van het „Jiddisch", dat in Rusland door haar volk gesproken werd, tot haar oor doordrongen, voelde zij zich thuis en heelemaal op haar gemak, maar een vroolijke schrik of klimmende verbazing kwam over haar, als zij herhaaldelijk onsamenhangende zinnen in de zuivere Hebreeuwsche taal van haar gebedenboek hoorde, — woorden, die toch geen gebeden waren. Zij zelf was deze taal slechts in zooverre machtig, als noodig was voor het verstaan van de feesten in de Synagoge en om later in de eeuwigheid zich voor Adonai- Zebaoth verstaanbaar te kunnen maken. Alleen zooveel begreep zij nu wel, dat zich hier volksgenooten van haar bevonden die aangelegenheden van alledag in de heilige taal van den Allerhoogste verhandelden. Israël bidt in geschiedenis — zijn geschiedenis is godsdienst — zijn staatkunde theologie, zijn taal godsdienst, — dat alles wist zij. Maar hier, in het gezegende land, ging de vermenging van het aardsche met het eeuwige blijkbaar nog verder.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's