MEDITATIE
De Heere is een zon en schild
Psalm 84 vers 11 en 12.Want één dag in uwe voorhoven is beter dan duizend elders ; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid. , Want God de Heere is een zon en schild, de Heere zal genade en eere geven ; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen.
Dit zijn woorden, die Gods volk niet onbekend zijn ; want het nieuwe deel, door den Heere uit genade in hun binnenste gelegd, kent niets zaligers dan in het huis des Heeren te vertoeven en daar den Naam Zijner heerlijkheid groot te maken. Met het: „Hoe liefelijk zijn uwe woningen, o Heere der heirscharen !" is de godvruchtige zanger op Reis naar het heiligdom. Hij laat bergen en dalen van zijn vroolijk reislied weergalmen. Hij ontziet zich voor niets en voor niemand. Zijn hart verblijdt zich reeds in het schoone vooruitzicht van al het goede, dat hij weldra in Gods huis zal smaken. Zijn ziel bezwijkt van verlangen om in steeds nauwer gemeenschap met den God zijns levens te treden en eerbiedig de knie te buigen voor Hem, die zoo waardig is van Zijn zondig en diep ellendig volk verheerlijkt te worden en dien David hier „zijn Koning en zijn God" noemt. Bij Zijn altaren bouwt de musch haar huis en de zwaluw haar nest, — en zou hij er dan ook geen schuilplaats vinden ?
O, gewisselijk ! want hij gevoelt levendig, hoe hij van kracht tot kracht voortgaat, en dat nog wel met een lied op de lippen en een gebed in de ziel.
En heeft hij eens voor het laatst den voorhof des aardschen tabernakels bezocht, hij weet en is verzekerd, dat de Engel des Heeren hem dan den eeuwigen tempelberg zal opleiden en met zachte hand die eeuwige woningen zal binnenvoeren, waar God alle tranen, hier aan Zijn voethank geschreid, zal afwisschen van de oogen. En ziet, dat blijde vooruitzicht doet hem van blijdschap in den Heere spreken : „Liever één dag in uwe voorhoven, o Heere, dan duizend elders !"
Och, dat de Heere ons aller hart mocht neigen om in die hartgrondige belijdenis van Israels godvruchtigen zanger te deelen, en geve Zijn Geest ons verstand, met goddelijk licht bestraald, bij de overpeinzing van dat woord.
Eén dag in uwe voorhoven is beter dan duizend elders ; ik koos liever in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid".
Heerlijke keuze ! want als dat de taal uws harten door genade is, dan zijt gij van een reiziger naar de stad des verderfs tot een bedevaartganger naar den tempel der eeuwige heerlijkheid geworden.
Immers, zal de onreine bron, die in ons binnenste ontspringt, rein water voortbrengen, ze zal door den Heiligen Geest moeten gereinigd en geheiligd worden. Zal ons leven vruchten der bekeering dragen, onze doode, vervloekte levens boom zal door de kracht van den eeuwigen Verbonds-Jehova uit den dood tot het leven moeten worden teruggebracht.
Indien dat niet onbedriegelijk heeft plaats gehad. Geliefden, we zullen nooit de voorhoven van het huis des Heeren, d.i. hét leven in de gemeenschap met een Drieëenig; God, boven het dienen der zonde en der wereld verkiezen.
Neen zonder wedergeboorte is en blijft de mensch dood in zonde en misdaden, verdoemelijk en des eeuwigen doods schuldig. De keuze des zangers zal de zijne niet zijn, zoolang zijn hart niet als 't zijne geworden is. En toch zijn er menschen, die zonder hetzelfde te bezitten, dezelfde keuze uitbrengen.
De onbesprokene, die van kindsbeen af godvruchtig is opgevoed ; de man, die een alleszins bedaarden geest deelachtig is; de grijsaard wiens jaren klimmen ; de ziel, die het rouwkleed draagt; hoe licht zullen dezen spreken zooals Israels godvruchtigen Koning.
En toch, toch deugt op die wijze de bron niet, en daarom evenmin het water, dat er uit opwelt. Opvoeding en aanleg, beschaving, leeftijd en zatheid des levens zijn er de oorzaken van, terwijl de zanger zóó sprak, niet enkel uit kracht van opvoeding, niet enkel omdat hem een ingetogen leven bezielde, of omdat zijn jaren klommen en de smart des levens hem meer dan ooit had getroffen O neen ! de zanger sprak zóó, toen wellicht de bloemen nog aan zijn voet bloeiden. Hij sprak zóó, omdat zijn levendgemaakte, zijn wedergeboren ziel — afgezien van alles — door genade naar den levenden God dorstte, gelijk het moegejaagde hert, aan de felle jacht ontkomen, dorst naar de frissche waterstroomen. En die dorst werd niet bevredigd dan in de gemeenschap met God, de bron des levens en van de hoogste zaligheid.
Het leven in de nabijheid Gods moet ons element, moet de heilige atmosfeer zijn, waarin wij alleen ruim kunnen ademhalen. Immers de ziel, die God door genade in waarheid mag dienen, vreezen en liefhebben, kan evenmin in de laagte tieren als degenen, die op de bergen geboren zijn ; gewoonlijk kwijnen zij in lagere streken aan een ongeneeslijk heimwee weg.
De ziel toch, die levendgemaakt is door den Heiligen Geest, heeft in deze vallei des doods een innig heimwee naar den eeuwigen berg Sion, waarop zij eigenlijk thuis behoort. En de voet van dien berg is, sedert de Sion van den Israëliet en de Gerizim van den Samaritaan als bergen van aanbidding zijn opgeheven, elke plaats, waar de Heere zich aan Zijn volk in gunst wil openbaren, al ware het een bouwvallige hut, om Hem in geest en in waarheid te dienen. Zulke hutten zijn voorportalen van den tempel der eeuwige heerlijkheid, waarin de verlosten door het bloed des Lams nu reeds het Hallelujah Hem ter eere weergalmen.
En de oprechte van hart en wandel, de geloovige, het kind van God, al ware hij ook als David een koning, is liever één dag op den drempel van zoo'n hut, dan duizend dagen in het binnenste van een paleis, waarin God de Heere niet ge vreesd en gediend wordt. Hij is liever als dorpelwachter, in het schamele kleed gehuld en staat liever met een droge bete broods en een beker koud water aan den ingang van 's Heeren huis, dan in het vette van de tenten der goddeloozen te deelen. Zoo zij of worde het ons ook. Al lokt ons ook het sirenenlied der wereld nog zoo aan om toch deel te nemen aan de ijdele genietingen der zonde, de Heere, die de Almachtige en Vrijmachtige is, geve, dat Davids keuze te midden van strijd en moeite, van lijden en vreugde, de onze moge wezen, zeggende :
Eén dag is in uw huis mij meer, Dan duizend, daar ik U ontbeer; 'k Waar liever in mijns Bonds-Gods woning Een dorpelwachter, dan gewend Aan d' ijd'le vreugd in 's boozen tent.
Nadat de dichter de oprechte en standvastige keuze zijns harten door deze woorden heeft te kenen gegeven : „Ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid", legt hij in het 12de vers een schoon en heerlijk getuigenis af aangaande zijn getrouwen Verbonds-God en diens zaligen liefdedienst, waarvan hij later in Psalm 119 mocht betuigen : „Heere, Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten".
De dienst der wereld doet dwaselijk het aardsche boven het hemelsche kiezen en alleen de dingen bedenken, die beneden zijn. Ook stellen de dienaren der wereld veeltijds hun eer in hun schande ; want door den god dezer eeuw verblind, beschouwen zij de ondermaansche dingen, zooals zij zich bedriegelijk aan hun oogen vertoonen en niet zooals zij inderdaad zijn. Om een handvol nietig stof worden Gods zalige gemeenschap en het eeuwige geluk, daaraan verbonden, veracht en verworpen. Maar door den dienst des Heeren leert men God kennen als aanbiddenswaardig, als een God van volkomen zaligheid in Christus Jezus, door den Heiligen Geest.
Deze kennis, geheiligd aan het hart, doet op hoogere dingen, op God en Zijn gemeenschap staren. De gepaste middelen worden daar aangewezen en geschonken, om het beste einde te bereiken. Ja, zij, die God in geest en in waarheid dienen, bezitten de ware wijsheid, die van boven is, hun geschonken door Hem, in Wien al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.
En geen wonder. Geliefden, want al de schatkameren der ziel worden door Hem en Zijn gemeenschap vervuld.
Hij Zelf is de rotssteen huns harten en hun deel in eeuwigheid.
Daarom zingt de dichter : „God de Heere is een zon en schild, de Heere zal genade en eere geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen".
„De Heere is een zon en schild". Eigenaardige samenvoeging. De zon aan den hemel en 't schild hier op aarde ; 't eene van verre en het andere van nabij ; ziedaar in beeldspraak aangestipt, wie de Heere voor Zijn volk is en wil zijn. Is het koud daarbuiten of daarbinnen, zie, dan verkwikt en verlevendigt de Heere Zijn volk door Zijn genadige nabijheid.
Is het strijd van binnen of van buiten, o, dan wil de Heere Zijn volk ten schild wezen, waarachter zij kunnen schuilen ; een schild, waarop alle pijlen des Boozen breken en waarmede zij elken vijand afweren.
Ja, als het koude doodszweet den werelddienaar op het voorhoofd parelt en hij doodelijk benauwd op de stervenssponde neerligt met een luid sprekend en aanklagend geweten, en hij in vertwijfeling de handen wringt, niet wetende waar hij zich voor Gods toorn. Zijn vreeselijke grimmigheid en heilig misnoegen bergen zal — dan, Geliefden, is de Heere voor de ziel van Zijn kind een zon in den stikdonkeren nacht des stervens ; een zon, die haar verlicht, en een schild, dat haar vrijwaart voor al de pijlen, die de koning der verschrikking op haar afschiet.
In één woord : God laat Zijn volk niet alleen den weg op-, den strijd in- en de vallei des doods doorgaan, maar onthoudt hun het goede niet. in den dood, die in oprechtheid voor Hem leven.
Voorwaar, Mozes had wel gelijk, toen hij verkoos : liever met 't volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd lang de genietingen der wereld te deelen ; of toen hij de versmaadheid om 's Heeren wil voor grooteren rijkdom hield dan alle schatten van het rijke Egypteland. Welk een heerlijke blijdschap smaakt die ziel in den dienst des Heeren, ja, wat meer zegt, menigmaal kunnen Gods kinderen zich zóó in den Heere hunnen God en Zijn dienst verliezen, dat zij de beginselen der eeuwige vreugde in hun zielen gevoelen.
O, zalige blijdschap in Jehovah ! Kinderen Gods, gij kent die blijdschap, en waar de voorsmaakjes er van, die gij bij tijden en oogenblikjes moogt ervaren, al zoo groot zijn, dat ge ze niet in woorden kunt weergeven en voor al de schatten der wereld niet zoudt willen ruilen, wat zal die blijdschap zijn, als zij daar boven in al hare volheid uw deel zal zijn !
Geliefden ! De Heere geve u en mij uit genade daaraan kennis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's