De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Een gebed zonder antwoord ?

9 minuten leestijd

„En Saul vraagde den Heere ; maar de Heere antwoordde niet, noch door droomen, noch door urim, noch door de profeten." 1 Sam. 28 : 6.

Hoe goed was het met Saul begonnen ! Alle voorwaarden om zijn koninklijke loopbaan tot een geslaagde carrière te maken, waren aanwezig. Hij was een imponeerende koninklijke figuur : van de schouders en opwaarts gemeten stak hij uit boven al het volk. Daarbij ontbrak het - hem allerminst aan moed en doorzettingsvermogen, gelijk het zoo treffend bleek bij de ontzetting van het bedreigde stadje Jabes. Samuel, Gods groote profeet, die hem beminde als een zoon, was zijn raadsman en vriend. En wat dit alles nog verre te boven gaat: God Zelf had Saul, den boerenzoon, uitgekozen om een voorganger te zijn over Zijn volk. De Heere had hem begiftigd met een koninklijk hart en een profetischen geest. Inderdaad, alle voorwaarden waren voor Saul present om een schitterend vorst te zijn en het te blijven ook.

Aanvankelijk gaat het met Sauls koningschap dan ook in de goede richting. Hij weet zijn verstrooide volk om zich heen te verzamelen. De eene overwinning na de andere wordt door Saul behaald. Het gaat alles prachtig . . . . . . . 

Totdat plotseling het tragisch conflict ontstaat tusschen Saul en Samuel, of beter en dieper : er een breuk komt tusschen dezen veelbeloovenden koning en zijn God.

Saul blijkt toch niet te zijn de man naar Gods hart. Door zijn eigenwillig en ongehoorzaam optreden maakt hij zich het koningschap onwaardig. Saul, die een theocratisch vorst had moeten zijn, d.w.z. een koning onmiddellijk onder God, altijd en in alles vragend naar Gods wil, Saul laat God los en neemt het rijk in eigen hand. De gevolgen zijn catastrophaal! Niet alleen, dat Saul zijn vaderlijken vriend Samuel verliest, veel erger : hij verliest ook zijn God. De Heere keert zich van hem af en ziet om naar een anderen man om Zijn volk te leiden. David, de zoon van Isaï zal straks koning zijn in Sauls plaats.

Van dat oogenblik af, gaat het met Saul snel bergafwaarts. Door jaloezie verteerd en door een ernstig zenuwlijden geteisterd, wordt Saul al langer hoe meer de zielige en tegelijk grimmige figuur, die wij kennen uit de tweede helft van Samuels eerste boek. Een man, die behalve de gunst van zijn God, ook de sympathie van zijn volk langzaam maar zeker ziet wegvloeien naar den gehaten mededinger David. Een man, die bovendien door zijn oude vijanden, de Filistijnen al langer hoe meer in het nauw wordt gebracht. Saul ziet de ontknooping van zijn levensdrama snel naderen. Hij ziet zich door sterke vijanden omringd. En hij voelt het: de Filistijnen zullen hem ditmaal vernietigen. De trap des doods ligt vlak voor zijn voeten en hij zal die donkere trap moeten afdalen. Beneden wacht de moordenaar met het uitgetrokken zwaard. En die moordenaar is hij tenslotte zelf, zelf de smeder van het wapen. Want ieder mensch, die ten gronde gaat gaat door zijn eigen daad ten gronde, ook Saul! Huiveringwekkend vooruitzicht!

Welnu, in die benauwdheid en duisternis zoekt Saul naar leiding en licht. Hij zoekt God. En hij doet het op een geoorloofde weg : door droomen, door de Urim en door de profeten. Maar : we ontstellen als we het lezen : Sauls gebed blijft onbeantwoord. Israels God houdt zich als doof. De Heere antwoordt niet, noch door droomen, noch door de Urim, noch door de profeten. Vreeselijk is dat! Daar staat een mensch in zijn barren nood voor de deur van Gods paleis. Hij klopt en roept; hij schreeuwt om hulp. En God doet niet open. God wendt Zich af. God zwijgt! Een ondoorgrondelijk zwijgen.

Is dat niet in strijd met Gods eigen Woord : Roep Mij aan in den dag der benauwdheid en Ik zal u uithelpen ? Of met dien anderen gouden regel : Eer zij roepen, zal Ik antwoorden ? Komt de Heere hier niet met Zichzelven in tegenspraak ?

Maar als we er wat dieper over peinzen, moeten we toch vragen : Heeft God inderdaad niet geantwoord, vóór Saul riep ? En is dit zwijgen des Heeren misschien toch een antwoord ? Een zeer welsprekend antwoord ; het eenige, dat Saul verwachten kan ?

Wie bidt hier eigenlijk ? Saul, de koning. Ja, maar de verworpen koning. De koning, die door God verlaten wordt, omdat hij eerst zelf door zijn ongehoorzaamheid en eigenwilligheid den Heere verlaten heeft. Hij is van den troon vervallen verklaard. Hij zal plaats moeten maken voor David, den a.s. Messiaanschen vorst. Dat is Saul niet onbekend. De Heere heeft het hem door Samuel medegedeeld. Hij heeft het zelf tegenover David erkend bij de spelonk van Engedi. In een tijdelijke opwelling van zachtheid en ootmoedigheid heeft Saul zelfs zijn schoonzoon David daarom gezegend. Maar die ootmoedigheid is bij Saul een morgenwolk geweest, een vroeg vallende dauw, spoedig weer weggebrand door de zon van zijn haat en hardheid. Hij wil Gods bedoeling en raad weerstaan ! Hij denkt er niet aan zich te buigen onder Gods hand. Hij wil zich niet nederig wenden tot David. Hij weigert zijn heil te zoeken in den weg van den Heere met David. David mag geen koning worden. David moet verdwijnen, voor goed. Ten bloede toe zal Saul David vervolgen.

En natuurlijk — voor een man, die Gods Raad tracht te weerstaan ; voor een man, die weigert te buigen onder 's Heeren hand, voor zulk een man is de weg naar Gods paleis gesloten. Wat hij verwachten kan — en allen, die na hem in dezelfde ongebrokenheid bidden en smeeken — is een zwijgend God. Maar een God, Wiens zwijgen dan wel heel welsprekend is !

Sauls bidden was een ongebroken en ongeloovig vragen, en bij zulk een gebed blijft het antwoord uit. Deze houding is uiterst gevaarlijk ! Ze is vooral zoo gevaarlijk als het er om gaat de vervulling te ontvangen van onze diepste geestelijke nood die aan alle andere nood ten grondslag ligt.

Als wij bidden om beterschap bij ziekte, of om uitkomst in tegenspoed, en het antwoord blijft uit, dan kunnen we altijd nog denken : De Heere wil het anders. Hij wil mijn bede op een andere, op een veel beterfe manier verhooren, al kan ik dat nu niet zien. Bij het gebed om schuldvergiffenis en aanneming tot het kindschap gaat dat niet meer. Te duidelijk is Zijn Woord : „Klopt en u zal worden opengedaan". En : „Wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen".

Hoe zou het toch komen, dat de Heere niet antwoordt op zoo menig herhaald gebed om bekeering. Dat Hij Zich in stilzwijgen hult en schijnt niet te willen geven, wat van Hem zoo hartelijk wordt begeerd ?

Zou achter zulk bidden misschien de Sauls-zonde kunnen schuilen ?

Ja, inderdaad, dat kan ! Zulk een bidder wacht wellicht jaar en dag op een bijzondere openbaring, die hem bekend zal maken, dat hij tot het getal der uitverkorenen behoort. Men begeert een teeken van den Heere in een schijnbaar vrome weg, en toch een weg, die zeer onvroom is, juist als Saul. Omdat men voorbij ziet het antwoord dat God reeds gegeven heeft!

Daar is b.v. onze Doop. Zou God daarin niet iets tot ons hebben gezegd? Geldt het niet vooral van onzen Doop : „Eer zij roepen, zal Ik antwoorden" ? Ongetwijfeld, toen wij er nog niet om vragen konden, verzegelde de Heere reeds aan ons Zijn beloften van wedergeboorte, schuldvergiffenis en levensvernieuwing. Hebt u aan die beloften des Heeren wel eens gedacht ? Ze tot een pleitgrond gemaakt in uw gebed?

Koning Saul ontving geen antwoord op zijn dringend gebed, omdat hij het niet bij David zocht. Hij moet van David, den man naar Gods hart, niets hebben. Welnu meer dan David is hier : Christus Jezus is de Man naar Gods bevel. En Hij wil, dat wij het bij Christus zullen zoeken, op Zijn Kruis hopen, in Zijn volbrachte werk rusten. Doen en deden we dat?

O, als ge weigert uw verlorenheid te erkennen ; als Christus en Zijn Kruis voor u geen beteekenis heeft; als ge aan Hem rustig voorbij gaat — dan kunt ge overigens veel bidden, doch dan wordt ge oud en stram, zonder dat ge uw bede ontvangt. God houdt zich als doof, omdat wij doof zijn voor Zijn spreken, dat Hij allang in Jezus Christus tot ons deed uitgaan. Jacobus noemt zulk bidden een kwalijk gebed. En dan is Gods zwijgen toch een antwoord, dat terugwijst naar Zijn spreken in het verleden en naar wat we reeds veel eerder ontvingen.

Neen, zoo op de wijze van Saul moet het niet en mag het niet. Wij mogen — welk een genade — voor en na, gaan tot Hem, Die gezegd heeft : „Ik, ben de Weg, de Waarheid en het Leven". Alle verdorring en verschraling in het leven met den Heere vinden haar oorzaak, hierin, dat wij Christus Jezus, de Bron van warmte en leven uit het oog verliezen en de middelen negeeren, waardoor Hij Zijn gemeenschap wil herstellen.

Schreit uw hart over uw zware schuld ? Christus droogt uw tranen, door u te wijzen op het Kruis der Verzoening, waar de schuld werd betaald. Zijt ge zoo moe van den strijd tegen het kwaad, in u en om u ? Kunt ge er niet meer tegenop ? Jezus Christus breidt Zijn armen tot u uit en noodigt: ,,Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven." Is uw geloof ingezonken en uw kracht uitgeput? Hij noodigt u aan Zijn Disch, waar ge moogt uitrusten ; waar Hij , u sterkt en uw kracht vernieuwt.

Ja, in Christus Jezus, Davids Zoon, heeft God alles gegeven : kracht om te gelooven, want Hij zond den H. Geest, die de vlam des geloofs in onze harten ontsteekt. Moed om te strijden, want Hij gaat ons voor, in het strijdperk van dit leven. Volharding tot het einde, omdat Hij nooit laat varen het werk, dat Zijn hand aan ons begon.

Zouden wij het dan in alle levensnood niet wagen met Christus? Zouden we geen antwoord ontvangen, als we bidden met het oog op Christus?

Zonder eenigen twijfel! Want in Christus Jezus krijgen alle vragen hun eigen antwoord. Een antwoord, dat redt van den ondergang en eeuwig behoudt.

Zoekt dan Christus, en gij zult leven !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's