Da Costa
over de Opstanding der dooden (1 Cor. 15)
Want dewijl de dood door een mensch is, zoo is ook de opstanstanding der dooden door een mensch; want gelijk zij allen in Adam sterven, alzoo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden. Christus is niet de eenling uit de dooden, maar de eersteling. Hij staat niet op zichzelven, maar in onafscheidelijk verband met den mensch, wiens natuur Hij heeft aangenomen. Hij leeft niet meer zichzelven, noch sterft zichzelven, noch staat zichzelven op, maar als tweede hoofd van het tweede menshelijk geslacht, als tweede Adam. De dood van den mensch heeft zijn begin en voortgang uit een mensch, de opstanding uit den dood heeft zijn begin en voortgang ook uit een mensch, die daarmede zooveel hooger staat als het leven boven den dood. Nu is Christus wel het Hoofd der gemeente, zoodat al de Zijnen, zooals wij dadelijk hooren zullen, in Hem de opstanding ten leven hebben, maar Hij is ook tegelijk het Hoofd van alle overheid en macht (Col. 2 : 10). Het Hoofd boven alle dingen, wien de Vader alledingen onderworpen heeft, (Efeze 1 : 20—23) dus ook over al de vijanden Gods, over al het ongoddelijke en over al de goddeloozen, zooals wij ook dadelijk zullen hooren Ware Christus alleen het Hoofd der gemeente, wij zouden hieruit moeten afleiden, dat de opstanding uit de dooden in Christus alleen de rechtvaardigen geldt ; doch nu de heerschappij van Christus ook over de onrechtvaardigen gaat (over alle macht der wereld, des satans), zoo volgt hieruit noodzakelijk ook eene opstanding der onrechtvaardigen (Hand. 24 : 15), naardien God eenen dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardig lijk oordeelen zal door eenen man, (een mensch) Christus. Hierop grondt de apostel nu de noodzakelijkheid van de prediking des Evangelies, opdat nu alle menschen alom zich zouden bekeeren (Hand. 17 : 30, 31). En inderdaad, sterker drangreden tot bekeering is niet denkbaar. Bleef de goddelooze in den dood, hij zou zich kunnen troosten met den ellendigen troost, waarmede zich zoovele goddeloozen troosten, dat de dood het einde is van alle leven, dat er geene rekenschap gevorderd wordt, geene straf meer te lijden is ; doch nu staat achter het woord dood het nog vreeselijker woord, het oordeel: Het is den mensch gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel (Hebr. 10 : 27). De onrechtvaardigen, in dat oordeel veroordeeld, zullen dan ook den dood zoeken zonder hem te kunnen vinden, uitroepende tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons voor het aangezicht desgenen, die opden troon zit, en vand den toorn des Lams; want de groote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan? Openb. 6 : 16, 17. Is het wonder dat wij ook hier met den apostel Paulus zeggen (2 Cor. 5:11). W ij dan wetende den schrik des Heeren, bewegen de menschen tot het geloof. Ja, alleen tot het geloof moet de schrik ons leiden. God heeft het Sinaï Zijner heiligheid op de aarde gevestigd, maar ook het Golgotha Zijner genade. Hij heeft ons den dood gegeven in Adam, omdat deze gezondigd had, maar Hij heeft ons ook de opstanding uit den dood gegeven in Zijnen Zoon, omdat deze de zonde verzoend heeft. O dat wij ons dan haasten om onzes leven wil, om te ontvlieden uit Sodom en behouden te zijn in Zoar, als wij nog niet in Zoar zijn ; want op den weg er heen kan ons nog veel noodlottigs gebeuren. — Al de dooden zullen dus opstaan.
Maar een iegelijk in zijne orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in zijne toekomst. De opstanding van Christus is de eerste opstanding, die der rechtvaardigen; over deze heeft de tweede dood geene macht (Openb. 2 : 10 ; 20 : 26). En wat is de tweede dood? Het eindoordeel, het eeuwig oordeel, het geworpen worden der goddeloozen met den duivel en zijne engelen in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer (Openb. 20 : 10 ; 21 : 8). Met de wederkomst van Christus zal de eerste opstanding, dia der rechtvaardigen, plaats hebben. Nu is er groot verschil in de voorstelling van de tijdsorde dezer opstanding: of zij in het begin of na 's Heeren wederkomst zal plaats hebben. Deze opstanding is, volgens Openb. 20 : 5, het regeeren met Christus duizend jaren. Wij kunnen begrijpen hoe Paulus verlangde aan die heerlijke opstanding deel te hebben (Fil. 3 : 10, 11), en het komt ons voor, dat wij de Schrift geweld aandoen, wanneer wij die duizend jaren niet voor een werkelijk bepaalden tijd, maar voor eene zinnebeeldige manier van spreken houden. Want wat wordt er dan door dit zinnebeeld te kennen gegeven ? Men kan er niets redelijks voor opgeven, en een zinnebeeld zonder de aanduiding van iets wezenlijks heeft geen zin. — Christus de eersteling zijnde uit de dooden, zoo is daarmede het veld des Heeren gezegend en geheiligd, en hierop rust de zekerheid onzer persoonlijke opstanding. De gemeente is het lichaam van Christus. Christus het Hoofd, na het Hoofd staat het lichaam van Christus op. De Schrift neemt de tusschenruimte van tijd niet in aanmerking. Er is hier alleen sprake van de volgorde der opstandingen. Zoo hebben de Joden ook in hunne leer deze vaste stelling : Als de Messias komt, staan de rechtvaardigen op.
Daarna zal het einde zijn, dat is het einde des tijds en daarmede de algemeene opstanding ; alsdan begint voor den mensch die bedeeling, welke geen einde heeft, die der eeuwigheid. En wanneer zal dat einde zijn en dat begin ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juli 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's