Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina
13
„God van Israël! Ik ben toch niet gek geworden op de reis? Zij spreken onze taal, en zij houden den Sabbat, — en wat zingen zij dan ? Ik ben een arme, oude vrouw, maar mijn gehoor is toch nog goed. Ik hoor scherp, — ik hoor al uit de verte, of er een zwaluw vliegt, of een mees. Maar jij zult je verkeken hebben, mijn kind, het moeten Gojim zijn."
„Neen, grootmoeder, — het is heusch de kandelaar. Ik kan hem hier vandaan den heelen tijd zien. Ik héb het gezien, toen de vrouw de lichten aanstak ; zij stak de handen wijd uit. Er ligt ook een kleed over de tafel, en daar is iets onder — dan zijn zeker |de Barches ? En den beker zie ik staan "
„Dan hebben anderen dat vers gezongen." „Neen, ik zag hen zingen, en er is niemand anders in de kamer."
„Och Heere, is het dan tóch waar? Maar het kan niet waar zijn. Is hier dan alles anders dan elders? Hoe zit dat? Is hier alles precies anders dan daarginds ? " De oude stond bevend op, steunde met haar linkerhand tegen den muur, en zocht met de rechter het dunne handje van Manni; haar stok was op den grond gevallen. „Waar zijn wij terechtgekomen ? Geef mij je hand, ik word duizelig ; zou de Eenige een zoon hebben ? Heere, straf allen, die Uwen naam lasteren ? Ik weet ook wel, dat zij dien gehangene zoo noemen!
Wij willen weggaan — kom, gauw ! Wij zullen onze ooren zuiveren . . . . . . . .
En dan vieren ze daarbij nog den Sabbat, net als vrome menschen. En zij schamen zich daar niet voor !" Zij mompelde voor zich uit: „Bewaar mij het verstand ! Laat mij niet van verstand beroofd zijn, dezen laatsten tijd ! Heere, gedenk, dat ik U altijd gaarne gehoorzaam ben geweest, en laat mij niet nu ten laatste te schande worden!"
Het kind had haar, verbijsterd, haar stok gereikt. „Willen wij niet luisteren, of zij nog niet een keertje zingen ? "
„Neen, gauw, Mannia! Laten wij niet met hen ten verderve gaan. Ach, was Tulpenbloesem toch maar hier! Suze stapte aan de hand van de kleine zoo overhaast weg, dat zij nog bijna over den grendelsteen van de deur was gevallen. „De reis is mij te veel geworden . . . . . . . vergeet, wat je gehoord hebt, en laten wij maken, dat we wegkomen!"
Zij waren bij den naasten hoek, toen Mannia verruimd uitriep: „Daarginds komt Reb Sinaï, — het is alsof hij ons zoekt!"
„Wenk hem dan met je arm! Zwaai, dat hij komt!" De kleine stond te zwaaien van geweld. Eindelijk kreeg de oude Tulpenbloesem haar in het oog, en snel kwam hij toeloopen. Verwonderd las hij de opwinding op het gelaat van zijn vrouw. Maar zij voor kwam zijn vraag al:
„O, man, wat ik daar beleefd heb! Ik weet niet, of ik waak, of dat ik slaap. O, ik ben een arme oude vrouw, en ik zal ziek zijn. Maar het kind heeft het tooh óók gehoord, en dan moet het toch waar zijn. Daar ginds, binnen in dat huis, hebben ze gezongen. Mannia, wijs hem eens waar! Is het niet zoo, Mannia ? "
„Ja, zij hebben gezongen, een man en een vrouw!" „Nu, wat hindert dat dan, mogen zij dan de heilige Sabbathsliederen soms niet zingen ? "
„O ja, die, ja, die! Ze branden de Sabbathslamp, en zingen daar een lied bij, — mijn tong wil het niet zeggen. Maar ach, het is toch waar ; mijn ooren hebben het goed gehoord, en de ooren van dit kind ook. Zij zingen daar een lied bij over — over — dien man!"
„Moge God je bij het verstand bewaren ! Je bent bepaald in de war, en je weet niet, wat je zegt. Kom mee naar de herberg, en rust daar wat uit." „Zij heeft het ook gehoord, niet waar, Mannia? "
„Een lied over Jeschua, " bevestigde de kleine. De oude man maakte een beweging, alsof hij het kind wou slaan. „Wat weet jij van dien naam? Spreek dien niet weer uit, en haal je die zonde niet op den hals. Zouden wij om kinderpraat ons bekommeren? Zij is negen jaar oud, en zij weet nog niet, wat zij hoort en ziet."
„Zij spraken eerst Jiddisch, en zij baden ook ons Minchagebed — ik mag gezond blijven ! En het kind heeft den kandelaar gezien met de lichtjes." „Dan zijn zij eenvoudig van de onzen, en daarmee is het in orde."
„Maar zij hebben toch een lied gezongen over dien, dien men niet noemen mag."
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's