De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

David verlangt naar blijdschap

10 minuten leestijd

Doe mij vreugde en blijdschap hooren ; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt. Psalm 51 : 10.

De mensch heeft behoefte aan blijdschap. Zonder haar kan hij eigenlijk niet leven. Dat ondervinden wij in dezen tijd *), die zoo arm aan vreugde is, en zoo vol van verdriet, druk, ellende en nood. Hoe betreuren wij dit voor onszelf en elkander, en in het bijzonder voor de jeugd, en hoe verlangen wij naar een tijd, waarin het door vrede, vrijheid en welvaart weer een lust zal zijn om te leven. Is dit nu zoo gesteld met het natuurlijke leven, het is niet anders met het geestelijke. Hoewel er menschen zijn, die een ziekelijk behagen in droefgeestigheid schijnen te hebben, lijdt het toch geen twijfel, dat een gezond geestelijk leven zich kenmerkt door blijmoedigheid. En dat Gods kind, wanneer het dit groote goed der blijdschap heeft verloren, er naar snakt het terug te ontvangen. Zie dit in den tekst.

Onze psalm is een van de 6 boete-psalmen : 6, 32, 38, 51, 130 en 143. David heeft hem gedicht naar aanleiding van zijn diepen val in zonde en misdaad, zooals blijkt uit het 2e vers, waarin de namen Bathséba en Nathan ons herinneren aan de geschiedenissen, die in 2 Samuel 11 en 12 geboekstaafd zijn. Aan overspel met Bathséba en moord op Uria had David zich schuldig gemaakt! In dezen psalm gunt David ons een blik in zijn binnenkamer, in zijn gebed, in zijn hart, toen hij worstelde met God, om genade en vergeving te verkrijgen. Wij zien zijn boetvaardigheid, en hooren zijn herhaalde belijdenis en zelfaanklacht, zijn bidden en smeeken om genade voor recht. In onzen tekst bidt hij om blijdschap, zeggende : Doe mij vreugde en blijdschap hooren; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.

Wat bedoelt David met die verbrijzelde beenderen? Daarmede beschrijft hij zijn diepe bedroefdheid. Dit is uit de tegenstelling terstond duidelijk. Hij bedoelt dus zijn door droefheid verbrijzeld hart. Al hebben beenderen nu geen gevoel, en al kunnen zij zich in den letterlijken zin dus niet bedroeven noch verheugen, toch is deze uitdrukking van „verbrijzelde beenderen" treffender dan die van het verbrijzelde hart. Door deze beeldspraak toch leeren wij, hoezeer David door droefheid was neergeslagen. Als iets zeer diep ingrijpt, bezigt de H. Schrift deze beeldspraak. Enkele voorbeelden mogen dit opheldefen. In psalm 32, die nauw aan den onzen verwant is, zegt David : Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den ganschen dag, vers 3. Niet slechts zijn vleesch verviel, maar zijn beenderen teerden als uit. Niet anders is het in psalm 42 : 11 : Met een doodsteek in mijn beenderen hoonen mij mijn wederpartijders, als zij den ganschen dag tot mij zeggen: Waar is uw God ? Diep werd David door dien hoon in de ziel geraakt, alsof iemand de punt van het zwaard met zulk een kracht in zijn lichaam gestoken had, dat zij doordrong tot in merg en been. Juist in de boetepsalmen spreekt David telkens van de beenderen. Zoo in psalm 38 : 4 : Er is geen vrede in mijn beenderen, wegens mijn zonde. En in psalm 6 : 3, waar David zegt: Genees mij Heere! want mijn beenderen zijn verschrikt, en dan vers 4: Ja, mijn ziel is zeer verschrikt. Onvrede en schrik in de beenderen, als weerslag op de onrust en schrik der ziel. Er is immers een nauwe samenhang tusschenziel en lichaam. En zoo kan ook iets geestelijks door iets lichamelijks afgebeeld worden. Ook Jeremia heeft zijn innige droefheid over de verwoesting van Jeruzalem uitgedrukt door dit beeld van onzen tekst, als hij klaagt: Hij heeft mijn vleesch en mijn huid oud gemaakt; Hij heeft mijn beenderen gebroken, Klaagl. 3 ; 4. In dezen laatsten tekst zien wij de opklimming: huid, vleesch, beenderen. De beenderen liggen in het vleesch verscholen en duiden dus on het inwendige. Ook vormen zij de kracht van het lichaam. Indien zij dan verbroken, ja, tot gruis verbrijzeld worden, waar zal dan de mensch blijven ? Zoo leert David ons, dat hij innerlijk verbroken, en dat zijn kracht vergaan was, door een diep-ingrijpende en ziel-doorborende droefheid over zijn zonde. Hij lag neer, door schuldbesef gebroken en verslagen !

Die Gij verbrijzeld hebt! God had die harde beenderen verbrijzeld. Ons hart is immers van steen en been. Zoo ontbreekt het gevoel van zonde en toorn, zelfs onder de ernstigste prediking en bij de grootste zonde en schuld, wanneer wij tenminste oppervlakkige en voorbijgaande indrukken nu daarlaten. Verbrijzeling is er althans niet. En vanzelf, louter door de natuur, kan ze ook niet komen. Uit de wet is de kennis der zonde, wanneer de Heere Zelf den eisch der wet in het binnenste bekend maakt, zoodat Hij onze heimelijke zonde stelt in het licht van Zijn aangezicht. Dan is Gods Hand dag en nacht zwaar op ons, en komen wij er onder. Dan wordt de hoogmoedige vernederd, dan vergaat alle blijdschap, de gelukkige wordt ongelukkig, de onschuldige een zondaar, de heilige een kwaaddoener, de vrome een goddelooze, de sterke held een gebroken man ! Hoe ellendig is de mensch dan! Niet dan droefenis en zuchting. De Almachtige heeft hem aangeraakt. En dan begint er gemeenschap te komen met het leven van David, met zijn gedachten, begeerten, woorden en werkzaamheden, gevoelens en gebeden. Dan komt er kennis aan die beenderen, „die Gij verbrijzeld hebt".

Dat de beenderen zich verheugen. Doe mij vreugde en blijdschap hooren ! Wij hooren hier het smachtend verlangen van David naar zielevreugd. Droefgeestigheid is misschien voor deze of gene zwaarmoedige natuur uit te houden, maar diepe, innige droefheid moet niet te lang duren. Zij legt een last op de ziel, die haar zou verpletteren. David althans kan er niet in berusten. Hij zoekt troost en vreugd. Maar natuurlijk niet in de wereld. De blijdschap, die hij wenscht, bepaalt hij nader in vers 14, waar hij zegt: Geef mij weder de vreugde Uws heils, en de vrijmoe­dige geest ondersteune mij. Vroeger heeft hij die blijdschap gesmaakt, soms tot opspringens toe, maar doorgaans als een stille vreugd, die hem immer bijbleef, en die uit het heil Gods ontkiemde. Het was de verzoende staat, die hem met een blijden en vrijmoedigen geest toerustte. Hij genoot toen de goederen van Gods Koninkrijk, die immers zijn gerechtigheid, vrede en blijdschap door den H. Geest! Daarnaar verlangt hij nu terug. Vandaar zijn gebed om vergeving en vernieuwing ; ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn ; wasch mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw, vers 9. Zijn verlangen naar blijdschap sluit dus in een verlangen naar zekerheid van de vergeving zijner zonden, ert deze vergeving brengt hij in verband met de ceremonie der bloedbesprenging door middel van hysop, die het O. T. kende (zie Lev. 14:4, 6 en Numerie 19 : 6, 18) en die heenwees naar het bloed van Christus. Want zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving ! Mocht die vergeving maar zeker zijn deel zijn, dan zou hij zich in den Heere kunnen verblijden als weleer !

Onze tekst is een gebed. De eenige toevlucht van David in zijn bedruktheid is de Heere Zelf. Tegen Hem alleen heeft hij gezondigd. Hij heeft zijn beenderen verbrijzeld. Hij alleen kan David ook troosten en verblijden. Daarom vraagt hij: Doe mij vreugde en blijdschap hooren. Wat wil David hooren ? Stof tot blijdschap uit Gods mond ! En dus Gods beloftenissen, voornamelijk die van de vergeving der zonden. Maar David, dat hebt ge toch al gehoord? Is niet Nathan, Gods profeet, tot u gekomen, en heeft hij niet tot u gezegd : De Heere heeft ook uw zonde weggenomen ; gij zult niet sterven ? 2 Samuel 12 : 13. Moogt gij aan het woord van den profeet, ja, van God, twijfelen? Is niet juist dit het woord, dat gij behoeft? En kunt ge wel twijfelen, of het voor u persoonlijk bestemd is, nu het tot niemand anders dan tot u gezonden is? Wat wilt ge dan meer? Om deze tegenstrijdigheid op te lossen n.l. dat David zegt: doe mij hooren, terwijl hij de belofte al gehoord had, kan men met Calvijn veronderstellen, dat Nathan met de belofte gewacht heeft, totdat David lang genoeg zijn boetvaardigheid getoond had, zoodat hij in onzen psalm dat woord van vergeving nog niet gehoord had. Men moet dan aannemen, dat in 2 Sam. 12 : 13 de schuldbelijdenis en de belofte der vergeving wel zijn samengevoegd, maar in werkelijkheid eenigen tijd uit elkander lagen. Dit komt wel meer in den Bijbel voor. Maar het kan ook zijn, dat zij oogenblikkelijk op elkaar gevolgd zijn, zooals de tekst het mededeelt, en dan ligt er toch niets vreemds in, dat David blijft vragen om vergeving en vreugde. Wel leert de tekst ons dan een zaak, die ook door de ervaring van Gods kinderen bevestigd wordt, n.l. dat het voor een verbrijzeld hart ongelooflijk moeilijk is, de belofte Gods door het geloof zich toe te eigenen. Vandaar dat herhaalde bidden om vergeving : vers 3, 4, 9, 11 en 16. De zonde is zoo groot, God is zoo heilig, de ziel is zoo gewond, en het geloof is zoo klein ! En daarbij de weldaad der vergeving zoo ongelooflijk. Calvijn zegt, dat de toeëigening daardoor druppelsgewijze tot stand komt. En dit is immers zoo ? Ook wij hebben elken Zondag, ja, elken dag weer noodig, dat ons de Godsbeloften, die in Christus ja en amen zijn, Gode tot heerlijkheid, opnieuw verkondigd worden. Nog op het sterfbed is dit het ééne noodige. Als God stof tot blijdschap doet hooren in de verkondiging van het Evangelie, en Hij voegt er geloof bij, dan is er de blijdschap, soms verrukkelijk, en altijd onuitsprekelijk ! Blijdschap in God door onzen Heere Jezus Christus. Naast de droefheid over de zonde, de blijdschap over de genade. Leest over deze geestelijke blijdschap, gij allen, die de oude waarheid liefhebt, maar eens na wat Vader W. Brakel schrijft in zijn werk „De redelijke Godsdienst", 1ste deel, pag. 927—938.

Onze tekst bevat een ernstige waarschuwing tegen de zonde. Door de zonde is David in die geestelijke ellende gestort. Toen hij Gods Vaderlijken toorn gevoelde, had hij schier geen leven meer. Wat moet het dan zijn eens in de plaats der verdoemden Zijn Rechterlijken toorn te ondervinden ? Vliedt den toekomenden toorn ! Ook Gods kinderen moeten zich wachten voor de zonde, want zij zien, dat de toorn huns hemelschen Vaders daardoor verwekt wordt; dat zij zelf daaronder zeer moeten lijden ; en dat het zooveel strijd kost de verloren blijdschap te herwinnen. *)

Bij David was droefheid. Velen komen niet verder dan dat zij bekennen, dat er droefheid moet zijn, of tot de zucht, dat ze eens bedroefd over hun zonden mochten wezen, of tot de klacht, dat ze zoo weinig bedroefd zijn.

Zijn wij bekommerd, dan zullen wij David verstaan, want dan zijn we in denzelfden staat. Laat ons dan ook doen wat David deed, om weer tot blijdschap te komen.

De bekommerde staat is niet een altijddurende droefgeestigheid. Wie waarlijk bekommerd is zoekt met David bij God in Christus troost en blijdschap door vergeving der zonden.

De kleinheid en zwakheid van Davids geloof stond hem in den weg om spoedig tot ruimte en vreugde te komen. Hij spande zich in door gebed en het gebruik van de schaduwen des O.T. als teekenen der verzoening om tot zekerheid des geloofs te komen, want daarvan hing en hangt de blijdscsap des geloofs af. Volgen wij dan zijn voorbeeld, ook door het Sacrament te gebruiken. Want had die groote man dat noodig, hoeveel te meer wij !

Wij zien, hoever David verwijderd was van die lichtgeloovigheid, waarmede velen zich de belotfen Gods toeëigenen, niet wetende, dat het geloof een strijd is en een gave Gods ! Het gezangenminnend kerkpubliek lieft „de blijdschap des geloofs" ! Maar in psalm 51 kan het zich meestal niet vinden. Van de ware blijdschap geldt echter, dat ze ontkiemt uit de droefheid. Uw droefheid zal tot blijdschap worden. Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Laat ons zoo staan naar een blijmoedig leven. Onze blijdschap is meestal niet groot. Eens wordt het anders, als in de eeuwigseid droefenis en zuchting zullen henenvlieden, en eeuwige blijdschap op ons hoofd zal wezen.

*) Zie hierover Dordtsche Leerr. V bijz. § 5.


*) Deze meditatie werd opgesteld 12 April 1945.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's