De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Kinderen des lichts

7 minuten leestijd

„Wandelt als kinderen des lichts". Efeze 5 : 8c.

De leden van de gemeente van Efeze, die de Apostel Paulus hier toespreekt, zijn van huis uit krachtens hun verdorven aard, het tegenovergestelde van wat hij hen noemt: „kinderen des lichts!" Hij schrijft hun in het eerste deel van vers 8 : „want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere". De Apostel Johannes heeft van zijn tijdgenooten dit ontzettende woord geschreven : „en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht". Zelfs het licht van het verstand is, naar het woord van Christus, als duisternis te achten. „Indien het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelf zijn ? ? "

En nu gelden die woorden van ,,duisternis" niet slechts enkelen, maar zij zijn van toepassing op heel het menschelijk geslacht. Er is niemand, die goed doet, ook niet één ; tezamen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij verdorven. De heele wereld is verdoemelijk voor God.

Zou nu de Apostel menschen, kleine, nietige en zondige menschen „kinderen des lichts" kunnen noemen, dan moest dat licht in hen ontstoken worden, . . . . . . ontstoken door God, die de Bron en de Fontein van het licht is.

Vooral in de Psalmen wordt God de Heere beleden en aangeroepen als Bron en Gever van het licht. ,,Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere." „De Heere is mijn licht en heil", „In Uw licht zien wij het licht". „Zend Uw licht en Uwe waarheid, dat die mij leiden." God de Heere is niet alleen een Licht, maar Hij heeft Zich ook als licht geopenbaard, en dat door alle tijden en eeuwen heen, maar bizonder in Jezus Christus, Zijn Zoon. Christus, het eeuwige Woord, dat in den beginne bij God en zelf God was, is het licht der wereld. Johannes, de Evangelist, dat eeuwige Woord bewonderend, zegt: „in het zelve was het leven, en het leven was het licht der menschen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen".

Alle licht, dat in ons is, komt ons toe uit God, in en door Christus, Zijn Zoon. In ons niets dan duisternis. Uit ons kan nooit één sprankeltje licht voortkomen. De duisternis kan nooit de moeder zijn van het licht, evenmin als de dood het leven kan voortbrengen.

Door Gods ondoorgrondelijke, vrijmachtige genade is het licht, dat in Hem eeuwig schittert, ontstoken in deze donkere wereld, opgegaan in duistere harten.

In den ouden dag was het al voorzegd : „Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot, licht zien ; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelven zal een licht schijnen". Die belofte is vervuld door de komst van den Zoon Gods in de wereld, door de vleeschwording van het Woord.

Toen de Heere Jezus voorgesteld werd in den tempel, nam Simeon het kindje in de armen en sprak : „een, licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël". En tengevolge van Christus' komst in het vleesch, kan straks de Apostel Paulus spreken : „Want God, die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods, in het aangezicht van Jezus Christus".

Als wij dus lezen : „kinderen des lichts", dan mogen we daarbij nooit denken, dat het licht zijn oorsprong heeft in ons hart. Het licht is een gave, die ons door Gods genade toekomt. Ook hier geldt het: „Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen ; Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid."

„Wandelt als kinderen des lichts". Dat is de roeping van Christus' Kerk in de wereld ! Daaruit volgt, dat zij in het midden van die wereld een in het oog loopende plaats inneemt. Als ge te midden van de duisternis een licht ontsteekt, dan is dat licht van uit de verte zichtbaar. Wanneer de Heere een licht ontsteekt, dan is dat licht zoo'n sterke tegenstelling met zijn omgeving, dat het noodzakelijk in het oog valt. De wereld ziet de kerk : den wandel der kinderen des lichts. Dit moet ons dringen tot heilige voorzichtigheid.

Want de wereld let op den wandel, de gedragingen, der gemeente, veel meer dan wij vaak vermoeden. Met zeldzame nauwkeurigheid wordt gelet op de daden, die wij verrichten, op de woorden, die wij spreken, op geheel onze levensopenbaring. Men heeft daarvoor gelegenheid door de plaats en de positie, die we in de wereld innemen. Van welken kant men ook aankomt, altijd valt weer in het oog dat licht, dat in de duisternis ontstoken is. De wereld stuit altijd weer op die christenen, die zo heel anders belijden dan zij. En wanneer nu de christenen afwijken van de rechte paden, anders doen dan zij belijden, dan wordt de kerk daarom door de wereld gesmaad, dan wordt tengevolge daarvan de Naam des Heeren gelasterd.

De satan ziet de vuile plekken op het priesterlijk kleed van Jozua en hij wijst daarop. Om deze en vele andere redenen moeten de leden der Christelijke gemeente er voor zorgen, er biddend en strijdend naar staan, om inderdaad te wandelen als kinderen des lichts.

De Apostel leert hier de geloovigen te Efeze kennen de hooge plaats, die zij in de wereld innemen, opdat zij verstaan de hooge en heilige roeping, waarmee de Heere hen roept. Zij zijn niet in de wereld om zelf maar stil te genieten en zich in het licht te verheugen ; neen, hun Heere en Koning heeft hen tot dien hoogen stand verheven met het doel een zegen te zijn voor hun omgeving. Zij zijn kinderen des lichts, opdat zij die duistere wereld met dat licht beschijnen. Maar: wat een duisternis heerscht er nog onder de Christenen ! Wat een duisternis heerscht er nog in onze eigen omgeving! Bij duizenden en tienduizenden is de Christennaam in strijd met belijdenis en leven.

Gaat de Kerk van Christus hier vrij uit? Is de duisternis, die nog in de wereld heerscht, nabij en ver, niet een aanklacht tegen haar? Wandelen de Christenen als kinderen des lichts ? Het leven der Christenen behoort zóó ingericht te zijn, dat zij, die in de wereld zijn een goeden indruk ontvangen van het Christendom. Wij moeten niet alleen onze goede woorden en godsdienstige gesprekken aan allen, die ons omringen, doen hooren, maar hen ook door onzen wandel, ons gedrag, overtuigen, dat godsdienst meer is dan alleen een naam. Wij moeten niet alleen den Christelijken Godsdienst als den eenigen waren belijden, maar het moet ook duidelijk worden, dat wij onder zijn invloed leven. Onze medemenschen moeten door onzen wandel van de echtheid van ons geloof overtuigd worden. De Apostel voegt bij het woord van den tekst: „want de vrucht des Geestes is in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid, beproevende wat den Heere welbehagelijk zij." Onze medemenschen moeten in onzen wandel, vrucht van het werk van den Heiligen Geest, aanleiding vinden God te verheerlijken.

Het doel van een wandel als kinderen des lichts mag dus nooit zijn om er zelf door geprezen te worden. Gods eer en roem moet in al onze godsdienstige handelingen het één en al zijn : „opdat God in alles geprezen worde door Jezus Christus, Wien toekomt de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid."

Tot dit middelpunt moeten al de lijnen onzer daden samenloopen. Wij moeten niet alleen trachten zelf God te verheerlijken, maar ook al het mogelijke, doen, om anderen daartoe te brengen. Wanneer de menschen Gods macht in onzen wandel zien, wanneer zij bespeuren hoe Zijn genade onze ziel verlicht, dan kan dit, onder den zegen des Heeren, hen brengen tot dankbaarheid aan en tot verheerlijking van Hem, die Zijn schepselen met zoo'n heerlijk licht der genade in Christus begiftigd heeft. Zoo kunnen zij overtuigd worden van de waarheid en voortreffelijkheid van den Christelijken Godsdienst en door heiligen ijver worden bezield om mede God te veerheerlijken. Een heilig, vroom, godzalig leven van de kerk van Christus kan een rijken zegen hebben tot bekeering van zondaren. Een wandelen als kinderen des lichts der Christenen is van onberekenbare waarde voor de komst van Christus' Koninkrijk.

Tot zoo'n wandel als kinderen des lichts in goedheid en rechtvaardigheid en waarheid bekwame ons de Heere door Zijn Heiligen Geest, opdat wij den naam van Christus niet lasteren en door de eeuwige duisternis niet bevangen worden.

(Dordrecht)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's