In de kerk opgelost
Dr. Bartels promoveerde te Utrecht op een proefschrift: „Tien jaren strijd om een belijdende kerk" (1946). Op menig punt geeft deze dissertatie aanleiding tot ernstige bedenkingen, met name over de wijze, waarop hij zijn tegenstanders bestrijdt. Doch dat laten wij hier rusten om de aandacht te vestigen op een opmerking van dezen jongen doctor op blz. 214, naar aanleiding van de houding der richtingen ten aanzien van het ontwerp 1938.
„De grootste verandering vertoonde echter de groep, die vroeger de ethische heette. De invloed van Noordmans, gevoegd bij de doorwerking der Zwitsersche theologie had hier in groote kringen het richting-denken geëleveerd tot kerkelijk denken en de ethische richting in de kerk opgelost. Ook de vele medestanders van Brouwer en Obbink onder de ethischen in het verzet tegen het ontwerp-1938 hebben zich niet als richting geconsolideerd.
Volgens deze meening zou dus de ethische richting verdwenen zijn en althans ten deele van richting-denken tot kerkelijk denken verheven in de kerk zijn opgelost. Deze onderstreepte woorden zijn allerminst duidelijk. In welke kerk is de ethische richting van dr. Bartels opgelost ?
Welke is die kerk? Welke is haar belijdenis? Haar gemeenschap? Haar begrenzing?
En hoe verstaat hij deze woorden in het licht van de uitdrukking dergenen, die hem zooveel nader staan, als zij steeds maar beweren, dat de kerk weer kerk moet worden?
Zoo zou de etische richting in de kerk zijn opgelost, die niet — nog niet — kerk is. Dat kan alleen eenigen zin hebben volgens het door den schrijver zoozeer geroemde „paradoxale" denken, hetwelk zich met een negatieve openbaring der kerk schijn te kunnen vereenigen.
Als nu alle kerkelijke menschen de ethische richting van den schrijver volgden, zou het kerkelijk vraagstuk in zijn geest reeds opgelost zijn.
Onder invloed der Zwitsersche theologie is een idee van kerkelijk denken ontstaan, waarin de door den schrijver bedoelde groep zich naar zijn meening zou kunnen vinden.
Als er nu maar geen menschen waren, die geen vrede kunnen hebben met het Barthiaansche theoiogisme en positieve voorstellingen hebben van de openbaring der kerk.
En dan zijn er ook nog de vrijzinnigen, dje gaarne een plaats in de kerk willen opeischen echter met behoud van de door hen geliefde vrijheid van opvatting. De schrijver noemt het teleurstellend, dat zelfs de rechts-vrijzinnigen niet met het ontwerp 1938 meegingen.
En dan de gereformeerden ! Hen treft het verwijt van den jongen doctor, dat zij eigen richting voor de kerk houden (blz. 174).
Indien dit zoo ware, zouden zij nog niet anders doen dan de ethische groep van dr. Bartels, welke een Barthiaansche richting met kerkelijke pretentie vertegenwoordigt.
Sommige voorstanders van het ontwerp-1938 onder de gereformeerden oogsten den lof, dat in deze geisoleerde groep beweging in de richting van kerkelijk bewustzijn zou zijn gebracht.
Nu willen wij geenszins beweren, dat de aanhangers der gereformeerde belijdenis, die in de 19e eeuw in het isolement werden gedrongen, in het algemeen zoo geoefend zijn in kerkelijk bewustzijn en zeker niet in den geest van den schrijver. Men zal echter moeilijk kunnen volhouden, dat aan de belijdenis geen kerkbesef ten grondslag ligt en in de artikelen betreffende de kerk niet duidelijk tot uitdrukking komt. Ook kan men niet ontkennen, dat de leiders der oppositie, die voor de belijdenis opkwamen in den kerkdijken en politieken strijd der 19e en 20e eeuw van een kerkelijk bewustzijn uitgingen. Men kan het met hun „kerkelijk denken" niet eens zijn, maar dan ligt de zaak anders.
Dan gaat het over de vraag, wat men onder kerkelijk denken verstaat; het z.g. dialectisch denken, of van uit den aard en het wezen der kerk, zooals haar belijdenis daarvan getuigt.
Dat heeft nog niets van doen met het verwijt, dat de gereformeerde richting zich voor de kerk zou houden, doch dat beteekent wel, dat zij ook voor haar „kerkelijk denken" aan de confessie getrouw wil blijven. En dit nu behooren allen te doen, die tot de kerk willen behooren. Heeft men daartegen bezwaar, dan rijst de vraag, of men niet een andere kerk op het oog heeft dan de belijdenis. En, indien dat zoo is, ontbreekt aan zijn „kerkelijk" denken datgene, wat het tot kerkelijk denken stempelt. De term kerkelijk denken geeft alzoo aanleiding tot misverstand. Principieel beteekent kerkelijk denken, denken over de kerk van uit haar aard en wezen. Practisch bedoelt men van uit de kerk, zooals die bestaat, in haar geheel. Kerkelijk denken is de situatie van het oogenblik. Het komt er op neer, dat men de kerk als kerk neemt, terwijl zij zich niet als zoodanig openbaart. Geen wonder, dat het kerkelijk denken, dat dr. Bartels van ons vordert, een bepaalde denkwijze eischt, die hij „paradoxaal" denken noemt, zonder hetwelk men volgens zijn critiek vrijwel onbevoegd is om over kerkelijke zaken mee te praten.
Zoo schijnt dit paradoxaal denken het eigenlijk criterium en de voorwaarde voor de oplossing der richtingen in de kerk. Het is inderdaad te dwaas om het ernstig te nemen. En toch is er zoo iets als gelijkschakeling der richtingen, ondanks de theologische tegenstellingen. En hoewel het devies luidt „in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en op den bodem der belijdenisschriften", wordt dit op een wijze verstaan, welke die tegenstellingen schijnt te verdragen op crediet van het z.g. kerkelijke gesprek.
Wij onderschatten de moeilijkheden van het richtingsvraagstuk niet, doch wat beteekent zulk een gelijkschakeling ? Het woord is niet van ons, maar het typeert. Men kan slechts twee kanten uit. Of alle richtingsverschillen zijn slechts betrekkelijk. Zij hebben geen van allen de waarheid, of ieder heeft die op zijn wijze, zoodat verschillende opvattingen naast elkander geduld worden. Dan krijgt men eerst recht een kerk van elk wat wils.
Of gelijkschakeling bedoelt conformeeren aan de Barthiaansche wijze van kerkelijk denken naar het voorbeeld van de door dr. Bartels voorgestelde ethische groep.
Hét eerste zou een voortzetting en „kerkelijke" bestendiging zijn van den toestand door de organisatie van 1816 in het leven geroepen en dat onder een Generale Synode, welke noch generaal noch Synode zou zijn.
In het tweede geval zou een doorgevoerde gelijkschakeling tot een ongeestelijk kerkisme leiden, waaraan de voorwaarde van waarachtig kerkelijk leven ten eenenmale ontbreekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's