De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet.

FEUILLETON

7 minuten leestijd

Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina

19)

Deze Sabbat van het jaar 5671 na de schepping der wereld, zooals de Joden berekenden, bracht aan allen een gevoel van welbehagelijkheid en rust, alsof zij hun leven opnieuw begonnen. Die dag was voor hen als een smalle pas tusschen twee werelden, het oude was voorbijgegaan, — en het nieuwe was er nog niet. Het was als op den eersten dag, toen de menschen gelukkig wandelden voor de oogen van hunnen Schepper, toen de spijze hun als in de handen viel, en Hij met hen sprak.

In hoe langen tijd had Hij niet meer met hen gesproken ! Samuel had één vurig verlangen : Hem ook weer te hooren spreken.

Toen hij dien middag zich uit de voeten wilde maken, en dat aan zijn pleegouders vertelde, vond hij hen tot zijn verbazing eveneens tot een wandeling gereed. Suze had geweend, haar handen beefden en Sinaï nam hem even apart, en fluisterde hem in, dat zij haar zieke denkbeeld door den slaap nog niet was kwijtgeraakt want na de godsdienstoefening was zij weer op dat Mincha-gebed en dat Jesehua-lied teruggekomen, dat zij belist van een en denzelfden persoon wilde hebben gehoord, en het had ook al niets geholpen, dat de kleine Mannia Zalig, die voor de Sjoel had gespeeld, heel beslist had verklaard, dat zij onder de menschen, die naar buiten kwamen, dat echtpaar had erkend, dat zij in de schoenmakerswoning had gezien. Het was dus toch wel zeker nu, dat zij tot de gemeente behoorden. Nu had Sinaï haar overgehaald, om met hem samen dat hol op den berg te gaan bezoeken, waarvan hem andere menschen, die hier thuis hoorden, hadden gezegd, dat dit de „Profetenschool" was, waar reeds velen genezing van waandenkbeelden, razernij en droefheid van geest hadden gevonden, als zij daar één keer waren gaan bidden. Samuel moest hen nu stilletjes mee naar boven leiden, daarna mocht hij dan gaan, waarheen hij verkoos.

De knaap vond dat maar half prettig. Knielend bond hij zijn pleegmoeder de schoenriemen over de gezwollen voeten, waar zij zelf vergeefs mee bezig was geweest, en haar hand woelde intusschen teeder door zijn dikke, donkere haren. Nu namen hij en Sinaï haar tusschen zich in. Zij wilde graag alles doen, wat haar echtgenoot dienstig voor haar vond. Voor de deur zat Fanuël Lemberger zijn Oostersche waterpijp uit de schaal van een kokosnoot te rooken, net alsof hij dat van kind af gedaan had. Hij keek het drietal spottend na, maar niet lang, want hij had genoeg te doen, om het leven op straat gade te slaan en te overdenken, wat hem te doen stond, terwijl Samuel blij was, dat hij zonder zijn geleide weg kwam.

Zij kozen een nieuwen weg, die hen met de zieke spoedig buiten de stad in 't bergwoud bracht, en die niet eerst langs de begraafplaats leidde. In een olijfbosch kwamen zij nu, en daarop moesten zij een eindweegs steil klimmen. Zij moesten heel vaak uitrusten, en dan vertelden zij weer aan de blinde, wat zij zagen.

De lichtgrijze vruchtbare bodem van het kalkgebergte was bedekt met geel-wordend groen van lage, kleine planten, met knolgewassen, zeeuien en lathyrus, met reuzenvenkel, wilde peen en koningskaars. Elders waren op wijde vlakten cistus-rozen en doomrijke bekerbloemen met wortel en al uitgetrokken en op stapels gebracht, om te dienen als brandstof bij de kalkovens. Op veel plaatsen hadden de winterregens de tot nu toe door de wortels vastgehouden teelaarde weggespoeld, en de steenachtige bodem lag nu bloot.

Op andere plaatsen had men getracht dit verlies op de hellingen door den aanleg van terrassen weer goed te maken, en daar, waar loodrecht opstaande rotslagen naar buiten kwamen, had men aan hun rand steenen muren opgesteld, waar de regen nu de vruchtbare aarde tegen opstapelde. Pijnboomen, eiken-, walnoot- en larierboomen beschaduwden den weg. En gelukkig klom het pad ook niet meer, zij gingen een hoek om, en stieten een kreet van verbazing uit.

Op een wijde en geheel effen vlakte stond een machtig, koepelvormig gebouw, dat boven al de boomtoppen uitstak. Daarnaast hield — aan den voet door een ander groot gebouw omsloten — een toren met een kolossaal groote glazen lantaren de wacht. Het was het Karmelietenklooster met zijn logement voor pelgrims en met den vuurtoren ; de bovenbouw verhief zich ver in de diepblauwe lucht. Toen zij het gebouw bereikt hadden, zagen zij vlak bij, achter een zeer steile helling, de zee glinsteren.

Menschen gingen in en uit, wagens en rij-ezels wachtten aan het logement. Maar op den koepel, boven den nok van het dak, en boven de huisdeur, — overal was het rechthoekige teeken te zien, dat aanduidde, hoe het volk van Israël volstrekt niets met deze kolonie had uit te staan.

„Een schande, — een schande ! En dat nog wel op de mooiste plaats van den berg ; komt gauw mee, verder!" mompelde Sinaï.

Toen zij de helling af gingen, vonden zij die ook vol met menschen, en zij bemerkten, dat zij zich nu op de voor heilig gehouden plaats bevonden. Holen in de rots waren met gebedsteekens omgeven, en er zaten wachters aan de ingangen, mannen in pofbroeken, met lichte kumba's, net als slaaprokken, het hoofd bedekt met een fez. Zij inden de entrée's van de Roomsche en Grieksche Christenen, van Mohammedanen, Drusen en Mutwali's, van inheemschen en van reizigers uit Europa. Sinaï wou juist informeeren, welke grot nu de ,,Profetenschool'' was, toen er plotseling een hevig geroep en geschrei weerklonk, en er beweging ontstond onder de omstanders. Er werd een man gebracht, die hevig tekeer ging, en die om zich heen sloeg ; zijn gelaat was geheel verwrongen. Twee mannen begeleidden hem en schoven hem door een ijzeren deur een spelonk in. Toen Sinaï goed toekeek, bemerkte hij, dat deze drie allen bij Israël behoorden, en nu wist hij wel zeker, dat dit de ook door hem gezochte plaats was. Suze had echter huiverend stil gestaan; angst en afschuw stonden op haar gelaat te lezen ; zij sidderde.

„Wij zullen wachten totdat die er uit komt, — hij is zeker erg ziek", kalmeerde Sinaï haar, ,,God zij geloofd, dat jij maar een beetje ziek bent! de profeet geneest en zegent hen allen of zij veel of weinig mankeeren. Wij willen op een bank gaan zitten, Samuel, jij moogt nu gaan waar je wilt, hoor ! Wij kunnen straks wel alleen naar huis komen".

Dat liet de jongen zich geen twee keer zeggen. Voor hij echter verder het bosch in ging, sloop hij toch nog even nieuwsgierig de deur door en een slechtverlichte ruimte in, tot hij den pelgrim weer zag. De beide Joden baden, staande bij en boven den derde, die nu kalm was geworden. Het was een welgesteld, ouder man, in voorname, Europeesche kleeding. Wat zou hem naar dit land hebben gedreven? Zij baden vrij, niet naar formules van het gebedenboek, dat hij geheel kende, maar wél in zijn taal. Hij verstond, dat zij God aanriepen, om door de kracht van Elia den krankzinnige te genezen. Naar kinderlijke wijze vergat hij, dat hij zelf werd opgemerkt, tot hij zich plotseling ruw bij zijn arm voelde trekken, en een portier hem met uitgestoken hand barsch om een piaster aansprak, dien Samuel niet bezat. Hij liep naar buiten, drong door de menigte heen, en rende halsoverkop het bosch in. Hij kon niet gelooven, dat God hier, onder al die vreemden, met een zoon van Zijn volk zou willen spreken.

Op de halve hoogte van den berg ontmoette hem een Joodsche jongeman, die boomwortels naar beneden droeg, en aan hem vroeg hij den weg en de richting. Deze diende hem in het Hebreeuwsch van antwoord, tot hij aan Samuels' verlegen gezicht zag, dat hij maar slecht werd begrepen. Toen begon hij in het oude en vertrouwde Jiddisch, dat de heele joodsche natie in de verstrooiing verstaat.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1946

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1946

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's