De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Da Costa

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Da Costa

5 minuten leestijd

over de Opstanding der dooden (1 Cor. 15)

(10)

Aan des Heeren Koningschap over het huis Jakobs, dat al de geloovigen in zich opneemt, zal dus geen einde zijn, maar wel aan het Koningschap over alle dingen, dat is over het heelal, als al de vijanden Gods zullen zijn te niet gedaan ; en bepaald daartoe was den Zoon door den Vader alle macht gegeven in hemel en op aarde, en zoo zal de Zoon zelf onderworpen zijn Dien, die Hem alle dingen onderworpen heeft. En wel verre dat dit eene vernedering zou zijn voor den Zoon, ligt daarin juist Zijne hoogste verhooging, omdat het de kroon is van Zijne gehoorzaamheid jegens den Vader tot in den dood, den dood des kruises niet alleen, maar tot op den troon der hoogste majesteit. Immers geschiedt dit ook dan tot heerlijkheid des Vaders, waarin dan ook alles moet eindigen. De Zoon onderschikt zich aan den Vader, Hij ordent zich als de Zoon onder den Vader, en dit alles geschiedt in en door den Heiligen Geest; want de Heilige Geest is de onmiddellijke gemeenschap van God en het redelijk schepsel. De Zoon legt, zooals wij zeiden. Zijne menschheid niet weder af, maar Hij blijft het Hoofd der geestelijke menschheid, en herhaalt hiermede in den hoogsten zin het woord, dat Hij eens gezegd heeft: De Vader is meerder dan Ik ; en omdat Hij vrijwillig, om den wille van de zaligheid der Zijnen, eenmaal des Vaders troon verliet, om voor de Zijnen te lijden en te sterven, nu, na daarop geplaatst te zijn, om al hunne vijanden te niet te doen, des Vaders troon andermaal verlaat, om zich te plaatsen op Zijn Godmenschelijken troon met al de Zijnen naast Hem, opdat God zij alles in allen; opdat de volstrekt Goddelijke natuur niet alleen zij in Hem, als de eeuwige Zoon, maar ook in al de Zijnen, als de uit de zondaren aangenomen zonen en dochteren des Allerhoogsten, in Hem, en door Hem. Alsdan zal het Woord vervuld worden, door den Zoon zelf gebeden vóór het brengen Zijner offerande (Joh. 17 : 20— 23) : Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij gelooven zullen, opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij Vader in Mij, en Ik in U, dat ook zij in ons één zijn, opdat de wereld geloove dat Gij Mij gezonden hebt. En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als wij één zijn. Ik in hen, en Gij in Mij, opdat zij volmaakt zijn in één. Thans is God nog niet alles in allen; want zoolang de zonde en de dood bestaan, kan er in Christus geene onmiddellijke gemeenschap met den Vader plaats hebben, gelijk de Zoon met den Vader heeft. Eerst moet de laatste vijand zijn te niet gedaan, en deze is de dood. De dood is het laatste gevolg der zonde. De zonde gaat vooraf, de dood volgt. De zonde is door Christus te niet gedaan voor ons, ook de dood voor Christus en voor ons, maar voor ons innerlijk en naar den geest; want de opstanding der dooden moet voor ons nog plaats hebben ; voor Hem uiterlijk en werkelijk, volkomen, want Hij is opgestaan uit de dooden. Daarom is de opstanding der dooden voor ons, die niet blijven voortleven, maar sterven, van zulk een hoog gewicht. Sterft de mensch naar het lichaam voor eeuwig, waar blijft dan de verlossing door Christus van den dood ? Dan heeft immers de dood eene eeuwige en daarmede onverbreekbare macht over den mensch, althans naar zijn lichaam, waarin God hem tot een mensch geschapen heeft. Alleen de opstanding van dat lichaam maakt die doodsmacht tijdelijk en verbrekelijk, en herstelt den mensch in zijne oorspronkelijke natuur, als schepsel Gods. De opstanding des lichaams is dus de dood van den dood.

Anders, wat zullen zij doen, die voor de dooden gedoopt worden, indien de dooden ganschelijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de dooden ook gedoopt? Deze plaats is duister, omdat zij schijnt te zien op eene gewoonte onder de eerste Christenen, die ons niet bekend is. Het komt mij echter voor, dat zij duidelijk genoeg is, als men het doopen voor de dooden zinnebeeldig opvat van het martelaarschap, den bloeddoop, zoodat de apostel bedoelt te zeggen : Ingeval de dooden niet opstaan, wat dwaasheid doen dan zij, die den doop ondergaan in het gezicht van den marteldood. En waarom worden zij gedoopt ook dan, als zij om hunnen doop zich werkelijk ten doode zien overgegeven. Zal iemand zich opofferen om tot de dooden, die dood blijven, te behooren? Ge ontneemt hiermede aan het lijden en sterven om des Heeren wil alle waarde en beteekenis.

Waarom zijn ook wij alle uur in gevaar ? De apostel neemt zich met zijne medegenooten tot voorbeelden van het doellooze van eenige opoffering om des Evangelie's wil, indien er geene hope der opstanding na den dood is.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1946

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Da Costa

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1946

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's