Vervolg verslag van de Jaarvergadering
GEHOUDEN OP DEN 29 AUGUSTUS 1946 IN HET JAARBEURSGEBOUW TE UTRECHT.
Ook onze voorzitter, prof. Severijn, nam zitting in de commissie, die een nieuwe Kerkorde heeft voor te bereiden.
Dat is geen benijdenswaardige positie. Met zulk een heterogeen gezelschap een Kerkorde samen te stellen is geen sinecure.
Maar ik ben blij, dat hij in die commissie zitting heeft genomen.
Ook onze mannen, die in de Generale Synode zitten, degenen, die een plaats innemen in Provinciaal of Classicaal Bestuur, hebben een verantwoordelijke taak. Ze hebben te getuigen tegen elke schennis van Gods Woord en van de aloude belijdenis.
Met groote belangstelling sla ik de komende ontwikkeling gade. Maar of de belijdenis in de safe ligt, gelijk onder het oude regiem, dan wel of men haar onder het nieuwe regiem zal handhaven of niet, die aloude belijdenis onzer vaderen moet de belijdenis van onze Gereformeerde gemeenten blijven. Het is best mogelijk, dat er straks een tijd zal komen, waarin prof. Seyerijn zal moeten zeggen : ik kan per slot van rekening niet verder meegaan. Misschien zullen straks al onze Gereformeerde gemeenten „neen" moeten zeggen.
Het is ondertusschen noodig, dat we ons krachtig zullen organiseeren, opdat we als één man in de bres mogen staan. Van het Communisme, hetwelk in onzen tijd zulk een groote kracht ontwikkelt, kunnen we misschien de cellenbouw wel overnemen. Overal moeten de posten worden vooruitgeschoven.
Helaas, wordt de noodzakelijkheid! van de samenbinding maar weinig gevoeld. Niet die gemeenien zijn het meest actief, die een flink Gereformeerd bedienaar des Woords mogen bezitten. Juist in die gemeenten, waar men de Gereformeerde prediking mist, wordt de groot ste activiteit aan den dag gelegd. Men wil een goeden dominé hebben. Is dat doel eenmaal bereikt, dan is men tevreden. Hoe het elders gaat, schijnt menigeen niet te bekommeren. Men vindt het wel jammer, maar daar blijft het bij. „Als het bij ons in de gemeente maar goed gaat!" Neen, mannenbroeders, die onsterfelijke Kaïnsgeest, die het uitroept : „Ben ik mijns broeders hoeder", moet worden uitgebannen.
Alle kerkeraden moeten zich aaneensluiten. Het moet worden een Geref. Bond van kerkeraden. Maar waar de kerkeraad in gebreke blijft, moet een afdeeling van getrouwen worden opgericht. De Waarheidsvriend moet overal worden gelezen. Het blad moet worden vergroot. De redactie moet worden uitgebreid. Reeds hebben enkele predikanten om kopy toegezegd. We rekenen op de medewerking van velen. De lezerskring moet worden uitgebreid. Deze week mocht ik de namen van 40 nieuwe lezers boeken. Hebt u, óok al proefnummers aangevraagd bij den heer Fortuin, in Maassluis?
Laat elk lezer ten minste één lezer winnen ! Moge de Heere Zijn onmisbaren zegen over onze zwakke pogingen schenken.
We zitten met plm. 60 vacatures. D.V. 1 Jan. 1949 zullen we er nog net zooveel hebben. De verliezen door den dood en door emeritaat, kunnen slechts met groote moeite worden aangevuld. De oogst is groot. De arbeiders zijn weinigen. Wat heeft het mij verblijd, dat de roep, om een inzameling te houden voor 't Studiefonds, overal weerklank gevonden heeft. Van alle kanten vloeien de gaven toe. Geen enkele gemeente moge achterblijven.
De penningmeester heeft schitterende bedragen te vermelden. Met smart zit ik er op te wachten. Maar weet ge, wat nu zoo jammer is ? Het aantal aanvragen om steun vermindert. Is er dan geen begeerte meer tot dat wondere, heilige ambt? O, laat toch de bede oprijzen mogen tot den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders uitstoote in Zijn wijngaard.
Als we zien op het groote getal Vrijzinnigen en Ethischen, dan is ons getal aanzienlijk minder. Wat moeten we beginnen m onze diep gezonken Kerk met zulk een klein getal. Mannenbroeders, als het eens een Gideonsbende mocht wezen, dan kan het openbaar worden, dat de Heere met een klein getal groote dingen doen kan. Niet doer onze kracht, noch door ons geweld, maar door Zijnen heiligen arm alleen zal het kunnen geschieden.
Ik denk terug aan de dagen van de Reformatie in deze lage landen. Van een Gereformeerde meerderheid was in ons land toen geen sprake. En toch had die betrekkelijk kleine groep van krachtige geloofsgetuigen aan den spits van onze natie en bracht hier tot rijke openbaring het reformatorische beginsel.
Des Heeren arm is nog niet verkort. Des Heeren hand doet krachtige daden. Hij blaze met Zijnen Heiligen Geest door onze gelederen en Hij gorde ons aan met kracht uit den hooge en geve ons getrouwmakende genade.
Maar, gelijk ik boven zeide, dreigen er niet alleen gevaren van buiten, maar ons Bondsleven wordt ook bedreigd door gevaren van binnen. Het zijn ook die gevaren van binnen, die 't noodig maken om de wacht te betrekken bij de belijdenis onzer vaderen.
Laat ik mogen beginnen met een van de meest ondergeschikte punten, die onze aandacht vragen. Ik denk aan de netelige gezangenkwestie. Als ik ook de gezangenkwestie hier een ondergeschikt punt heb genoemd, bedoel ik daarmede , geenszins, dat ze van belang ontbloot is. Er zijn in den loop der eeuwen door het verkeerde lied al heel wat dwalingen de Kerk binnen geleid. Nu verwachte niemand van mij, dat ik in deze weinige oogenblikken dat gezangenvraagstuk au fond zal uiteenzetten. Dit is onmogelijk.
Laat ik er alleen dit van mogen zeggen : Al erken ik, dat het geoorloofd is, dat ook andere gedeelten der H. Schrift, evenals de Lofzang van Simeon en die van Zacharias en meer andere, op rijm worden gezet, ik ontken, dat de berijming van de Schriftwoorden, het maken van zulke liederen, maar het werk is van een groepje predikanten. Dit is zelfs niet een zaak van den Geref. Bond. Neen, dit is uitsluitend een zaak van de Kerk. De Kerk zal door middel van hare organen deze kwestie onder de oogen hebben te zien. Maar o wee mij, wat moet ik daarvan verwachten? Hoe zal een Kerk, die ook op het oogenblik nog bestaat uit een conglomeraat van verschillende, elkander bestrijdende richtingen, ooit een liederenbundel kunnen samenstellen, die niet in strijd is met Gods Woord en de Belijdenis. Dan moet er eerst nog heel wat veranderen. Er ziijn er ook onder onze Bondspredikanten, die begeeren, dat de Geref. Bond zelf het Gezangenvraagstuk tot een oplossing zal brengen.
Na het bovenstaande zal het duidelijk wezen, dat de Geref, Bond het zeer praematuur acht om nu deze kwestie te willen oplossen. Dit is een taak voor de Kerk.
En daarom kan het Hoofdbestuur van den Geref. Bond niet anders adviseeren dan zich tot tijd en wijle te houden aan de liturgie van de Dordtsche Kerkorde.
De Gezangenbundel, zooals hij daar ligt, kan door ons nimmer aanvaard worden.
Het smart ons, dat er onder de ouderen en jongeren gevonden worden, die eigenmachtig den knoop hebben doorgehakt en er toe zijn overgegaan om een Gezang te laten zingen. Enkelen hebben onze Gereformeerde gemeenten verlaten en lieten zich een beroep welgevallen naar een Confessioneele gemeente. Het blijkt zelfs zulke vormen te hebben aangenomen, dat de redactie van „De Gereformeerde Kerk" er hare aandacht op vestigde, dat verscheidene Gereformeerdebonders de Confessioneele plaatsen gingen bezetten, nadat ze het Gezang hadden laten vallen.
Er kwamen dan ook reeds eenige brieven binnen van dergelijke predikanten, inhoudende de mededeeling, dat ze niet langer lid van den Geref. Bond wenschten te blijven. We vinden dat, eerlijk gezegd, het juiste standpunt.
Anderen hebben er blijkbaar anders over gedacht en eischen, ja, sommeeren ons, dat de Gereformeerde Bond zich over dat gezangenvraagstuk in hun geest zal komen uit te spreken.
In dit opzicht mag de bazuin van het Hoofdbestuur geen ander geluid geven. Nog eens : wij houden ons tot tijd en wijle vast aan de liturgie van de Dordtsche Kerkorde.
Maar het is niet slechts de gezangenkwestie, die ons bezig houdt. Het wordt hoe langer hoe duidelijker, dat er onder ons ook dogmatische verschillen tot openbaring komen, die het noodig maken om de wacht te betrekken bij onze belijdenis.
De uiterst rechtschen en de uiterst linkschen in onzen Geref. Bond komen op een tamelijk grooten afstand van elkaar te staan.
Eerst een enkel woord over de uiterst rechtschen. Van die uiterst rechtschen behoorden maar enkelingen bij onzen Geref. Bond. De meesten van hen zaten immers vast in den hoek van de valsche lijdelijkheid. „De Heere Zelf kan toch immers alleen Zijn Kerk redden", „Daar had Hij geen mensch voor noodig", „De Heere alleen zou het doen", „Wat wou nu zoo een Geref, Bond ? " „Dat was nu immers alles maar menschenwerk" zoo heette het dan.
Ten opzichte van den eisch der bekeering redeneerde men op dezelfde wijze. Den eisch zonder meer te prediken, durfde men niet. Veronderstel toch, dat men tot een mensch, die dood is in zonden en misdaden, zou zeggen, dat hij zich moet bekeeren, dat zou toch de dwaasheid zelf wezen. Men wilde geen oogenblik, dat men remonstrant zou schijnen te wezen. Liever goot men het in den vorm van een bede : Och, mocht ge u nog eens komen te bekeeren.
Men bezag de dingen zoo vanuit het stuk der verkiezing, dat men het was vergeten, dat God den mensch geen onrecht doet, als Hij in Zijn wet van hem komt te eischen, wat hij niet doen kan. Vroeger sprak men ook al van onmachtskraaiers. Die zijn er echter ook nu nog. Ze bezien het enkel maar door den bril van de eeuwige verkiezing. Wat ze echter naar voren brengen, lijkt meer op Mohammedaansch fatalisme. Arme gemeente, die door zulk een onmachtleer in slaap wordt gewiegd, inplaats dat ze door het Woord Gods wordt wakker geschud, gelijk Christus en de apostelen en profeten zulks gedaan hebben.
Meestal zitten zulke predikers in den hoek van de allegorische Schriftinterpretatie. Teksten worden gekozen, waarbij de geheele kraamkamer wordt te pas gebracht Wij moeten den, moed hebben om tegen deze dwaasheden te getuigen. Wij moeten durven zeggen : „Dat is niet Gereformeerd. Wij moeten durven zeggen : „Het is schandelijk".
Ik ben menigmaal als secretaris van den Gereformeerden Bond door Ethischen voor de vraag gesteld of de lieden, die bij onzen Bond behooren, allemaal zoo waren.
Dan was steeds mijn antwoord dit : gelukkig niet! De door u bedoelden behooren bij ons niet. Ze zijn niet Gereformeerd ; ze leven eigenlijk meer uit hetzelfde beginsel als de Ethischen.
Dat er menschen zijn in de predikantenwereld die gaarne allerlei geijkte termen in hun prediking gebruiken om bij de gemeenten een gemakkelijken klankbodem te vinden, zullen we nu maar laten rusten.
Daar zijn er ook, die het waarlijk meenen. Ik heb respect voor hen. Althans voor sommigen. Ik heb er éen gekend, die Modern was geweest en Gereformeerd was geworden, maar ik dacht bij elke ontmoeting : theologisch leeft ge nog uit hetzelfde beginsel, als toen ge Modern waart. De uitersten raken elkaar immers.
Mannenbroeders, voor deze uitersten hebben we ons te wachten. Tot den vollen raad Gods, dien we hebben te prediken, behoort niet alleen de verkiezing, maar óok de roeping.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's