De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Izaks geloof (vervolg)

6 minuten leestijd

Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen. (Slot). Hebreën 11 vers 20.

Izak een geloofsheld wegens de zegening van zijn zonen Jacob en Ezau. In de eerste plaats om de wijze, waarop hij ze zegende, maar vervolgens ook om den zegen, waarmee hij ze zegende. „Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen". Onder die toekomende dingen zijn natuurlijk te verstaan de stoffelijke, maar ook, ja vooral de geestelijke goederen, welke God de Heere aan Abraham en zijn nakroost had beloofd en door het teeken en zegel des besnijdenis had beteekend en verzegeld. Die goederen, door den God des verbonds beloofd en daarenboven beteekend en verzegeld, waren ontzaglijk rijk. In het kort gezegd, sloten zij in het bezit van gansch Kanaan, maar dat was niet het voornaamste. Ze sloten ook in den zegen van Gods genade, ja, God Zelf in den Messias, die uit Abraham's zaad zou ontspruiten en in Wien niet alleen het geslacht der Joden, maar alle geslachten der aarde zouden gezegend worden.

Evenwel, toen Izak zijn zonen zegende aangaande die toekomende dingen, was er met het lichamelijk oog nog niets van te aanschouwen. Slechts een grafspelonk kon hij in geheel Kanaan zijn eigendom noemen. Nochtans zegent Izak z'n zonen aangaande toekomende dingen, en dat niet met een spaarzamenlijken zegen, maar met een zegen, mild en overvloedig. Lees er maar weer van in Genesis 27.

Is het niet bevreemdend ? Ja, is het niet dwaas ? Neen, want Izak zegent aldus door het geloof en het geloof is een bewijs der zaken, die men niet aanschouwt. Het geloof handelt nooit dwaas, al haalt de ongeloovige wereld spotlachend haar schouders op en al spreekt zij smalend van een wissel trekken op de toekomst.

Is het geen waagstuk? Neen, want Izak zegent aldus door het geloof en het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Het geloof is nooit een waagstuk, al zeggen velen dit zoo. Het handelt niet op een onzeker misschien, maar is van z'n zaak volkomen zeker.

Door het geloof heeft Izak z'n zonen gezegend aangaande toekomende dingen. Het geloof klemt zich vast aan de belofte Gods en wantrouwt daar niet aan, ook al spreekt alles haar tegein. Het geloof schenkt een geestelijk oog, dat ziet, wat het natuurlijk oog niet bespeurt.

Rijke beloften Gods zijn er voor hen, die behooren tot het verbond der genade. Het Evangelie stalt ze voor hen uit en het Sacrament van den Heiligen Doop beteekent en verzegelt ze.

Helaas, hoe menigeen handelt als Ezau. Ja, nog immer leeft Ezau in de tent des verbonds. Al wie, als hij, niet wil breken met de zonde, ook al siert men zich met het gewaad der godsdienstigheid en al leeft men voor het oog onberispelijk, is Ezau. Al wie, als hij wel begeert de stoffelijke goederen, maar de geestelijke goederen veracht en ze niet in Christus zoekt (alléén in Hem, den Middelaar des Verbonds zijn ze te verkrijgen), is Ezau.

Lezer, oud of jong, behoort gij tot die : Al wie ? Vraag het uzelf eens eerlijk af. O, hoe vreeselijk als het aldus zou zijn. Want het is altijd ontzettend, wanneer een zondaar God niet wil dienen, ontzettender is het nog, wanneer dit geweigerd wordt door een kind des verbonds. Is het altijd droevig, wanneer de geestelijke heilsgoederen worden afgeslagen, treuriger nog, wanneer dit gedaan wordt door hen, aan wie deze toegezegd, beteekend en verzegeld zijn.

O, hoe onteert hij, wie zoo handelt God, Die geen lust heeft in z'n dood, maar daarin, dat hij zich bekeert en leeft. Maar ook hoe doet, wie aldus leeft, zijn ziel geweld aan, want wel ontvangt zoo een krachtens Gods algemeene genade misschien veel van de vettigheden dezer aarde en den dauw des hemels, maar straks, dan ontvalt dit alles en treft de verbondswraak. Ezau, die het geestelijk goed des verbonds verachtte, kon zeggen : Ik heb veel, maar het vele van Ezau was tenslotte o zoo weinig; het gaf hem geen waar geluk in dit leven èn bij het sterven moest hij het al aan anderen overlaten en achter dit leven strekte zich voor hem eeuwige ellende uit. Jakob daarentegen, die om de goederen des verbonds worstelde en bad : „Ik laat U niet gaan, tenzij dat Gij mij zegent", kon zeggen : „Ik heb alles". Want hij had den Heere en de Heere is niet alleen een goed, dat werkelijk gelukkig maakt, maar ook een blijvend goed.

O, bekeer u dan tot den Heere, want waarom zoudt ge sterven. Smeek Hem om Zijn Heiligen Geest, Die de bekeering en het geloof in uw hart wil werken, gelijk Hij u heeft toegezegd, welke belofte ook door den Doop is beteekend en verzegeld.

Ja, ook het geloof. Het geloof, waardoor de beloften des verbonds, voor dit èn het toekomende leven, aanschouwd en aanvaard worden.

Helaas, hoe menigmaal ontbreekt het kind Gods door z'n lust in het wildbraad dezer wereld het uitzicht op deze beloften.

Maar niet minder : hoe vaak is tegenover die beloften twijfel en wantrouwen in hun hart.

En dat is schuld, schuld voor God. O zeker, daar zijn menschen, die heelemaal geen moeite hebben om de beloften Gods te aanvaarden. Dat komt, omdat ze nimmer een recht gezicht hebben gekregen op de gruwelijkheid van hun schuld en den rijkdom van Gods beloften. Zelf werden ze niet klein en de beloften des Heeren niet groot en daarom ook niet tè groot. En „medelijdend" zien ze neer op hen, die moeite hebben de beloften Gods zich toe te eigenen en hardvochtig trappen ze dezen in den hoek der valsche „mystiek" en der „ziekelijkheid".

Wij kunnen en mogen niet met dezulken meegaan. Maar evenmin met hen, die het ongeloof goed praten, ja, die meenen dat het de ideale toestand is, wanneer een christen onrustig voortdobbert op de wateren van den twijfel.

Verre zij het daar vandaan. Zulk een houding is Godonteerend en zielsschadelijk. O hoor, gij, die aan ongeloof u schuldig maakt, hoe de Heere verwijtend u vraagt: „Ben Ik dan een Man, dat Ik liegen zou, of eens 's menschenkind, dat Mij iets berouwen zou ? "

Gij, die zondaar zijt, gij behoeft, gij moogt niet twijfelen aan Gods beloften, aan Gods trouw. Besef dat, en smeek door schuldbesef verslagen om het geloof, om het geloof dat God eert in het aannemen van Zijn beloften en der ziel goed is ; het geloof, dat uit diepten voert naar hoogten ; het geloof, dat ontrouwen en vreesachtigen maakt tot helden, geloofshelden, die echter, waar dat geloof een gave Gods is, geheel verbeurd, wanneer ze op hun plaats zijn, niet roemen in zichzelf, maar in den Heere en in oprechtheid belijden :

Niet ons, o Heer, niet ons. Uw Naam alleen Zij voor Uw trouw en goedertierenheên All' eer en roem gegeven.

(Boven Hardinxveld)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's