Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina
22)
Gij, aarde des Heeren, gij zult ontwaken en leven". Was dat Gods stem, die aldus uit dat verre en toch nu zoo dichtbije fluisteren en ruischen zich deed vernemen, en die aanzwol, en al het andere in zich opnam? Hij hield niet op er naar te luisteren en geen zucht van eenig schepsel kliefde de zalige atmosfeer.
Wat hem eindelijk wekte, was...... een langgerekt gehuil. Heftig geschrokken, sprong hij ineens overeind en merkte, dat de zonneschijf in de zee verzonken was en alleen nog maar een rood licht naar het midden des hemels wierp. Deze dierlijke geluiden deden hem sidderen. Die hoorden niet bij eenig dier, dat hij kende, ofschoon ze eenigszins aan een hond herinnerden. Ze kwamen stootsgewijze in dalende tonen — het was ook iets anders dan het gehuil van een Wolf, dat hij in Rusland in een ijskouden nacht eens had gehoord. Samuel stond de eerste minuut als aan den grond genageld. Maar de kreten klonken wild en gevaarlijk, en toen een tweede dier begon te antwoorden, nam de vrees hem plotseling zóó hevig te pakken, dat hij op de vlucht sloeg.
Tot zijn geluk was de plaats, waar deze tonen vandaan kwamen, verderop gelegen, in de richting waarin hij tot nu toe was gegaan — hij liep dus eenvoudig terug, daarheen, vanwaar hij gekomen was, over de hoogte van den bergrug, hoewel hij eerst van plan was geweest, zijwaarts in Noordelijke richting een nadere helling naar de stad te nemen. Nu had hij geen gelegenheid daar naar uit te zien, in groote sprongen rende hij weg, en de angst leerde hem alleen maar om zelfs het breken van takken te vermijden, want ook dat leven maakte hem nog weer banger. Zoo bukte hij zich telkens, om daaronder door te komen. Hij keek noch naar rechts, noch naar links, maar sprong over boomstronken en rotsblokken. De hinderpalen doken op, maar verdwenen ook weer zóó ; hij zag alleen maar den grond onder zijn voeten verdwijnen. Licht en sterk als hij was, bleven de stemmen der dieren al spoedig een heel eind achter hem. Zij waren hem dus niet gevolgd.
Nu kwam hij weer tot bedaren, schepte adem, en merkte, dat de schemering begon te vallen. Hij nam droge takjes uit zijn haar, schudde een steentje uit zijn schoen en meende het gevaar ontkomen te zijn, toen er plotseling naast hem, aan de helling, een vreeselijke schreeuw weerklonk, die hem door merg en been ging. Een ogenblik deed deze nieuwe schrik hem als verlamd staan, hij waagde het niet eens meer om weg te loopen. Daar bemerkte hij een boom, waar hij gemakkelijk in zou kunnen klimmen, hij sloop behoedzaam naderbij en een oogenblik later zat hij reeds bovenin op een kruispunt in de kroon. Eenige seconden later was het hem, alsof hij een gedeelte van een langharig dierlichaam beneden door de struiken zag sluipen. Als hij zich niet bedroog, verwijderde 't dier zich in de richting van de andere beesten. En een nieuw gehuil gaf hem daarvan de bevestiging. De dieren schenen met elkaar iets te bespreken, terwijl zij elkaar naderden.
Hij moest verder, als de duisternis hem niet zou overvallen, en terwijl hij dit tot zichzelf zei, waakte rustiger bezinning in hem op. Zijn gedachten gingen terug naar het geluk en het wonder, dat hij kort voer deze verschrikking had beleefd en hij schaamde zich, dat hij alles zoo volkomen vergeten was, om alleen maar zich uit de voeten te maken.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's