De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DOGMATIEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DOGMATIEK

7 minuten leestijd

Van de kennisse Gods.

XXIII

Uit het voorafgaande kan gebleken zijn, dat wij de voorkeur geven aan het opschrift „Van de kennisse Gods" en niet spreken van de leer van God. Dit sluit niet uit dat men wel van de leer kan spreken, in zooverre deze rekenschap geeft van de kennis van God en bedoelt de kennis van God, zooals Hij Zich in Zijn Woord jegens ons openbaart. Want dan toch gaat deze leer terug op den goddelijken Leermeester zelf.

Indien wij toch niet terecht van een goddelijke leer kunnen spreken, is er geen kennis van God. Want hoe zou de mensch wetenschap hebben van den boven deze wereld verheven God, indien Hij niet zelf tot den mensch ware afgedaald en tot hem gesproken had?

Maar Hij heeft gesproken en spreekt nog altoos in de schepping, regeering en onderhouding der wereld en Hij heeft gesproken door de profeten en door den Zoon. (Vgl. Hebr. 1 : 1). Zoo is er dan kennis van God bij de menschen.  Het Woord Gods ligt daar in menschelijke taal. Een iegelijk, tot wien 't komt, of die er mede in aanraking komt, kan het hooren en kan het lezen. Het ligt daar in menigerlei talen.

Doch, hoe weet ik, dat God het gesproken heeft, dat Hij het is, die door het woord der apostelen en profeten tot ons heeft gesproken?

Men zou daarop kunnen antwoorden, dat zij het zelf betuigen. Dat zou voor velen slechts een beroep op menschen beteekenen. Men kan ook zeggen, dat de kerk het daarvoor houdt. Doch ook het gezag der kerk is aanvechtbaar.

De belijdenis zegt dan ook, niet zoozeer omdat de kerk deze Schriften voor heilig en kanoniek houdt, maar omdat de Heilige Geest getuigt in onze harten, dat zij van God zijn. (Vgl. art. 5 Ned. Gel. bel.).

Het getuigenis des Heiligen Geestes in onze harten, dat zij van God zijn. Daar ligt de zaak.

Het goddelijk licht gaat uit de Heilige Schrift voor ons op, als de Heilige Geest een kaars ontsteekt in onze harten. Het geloof verstaat, dat God door haar spreekt. Dat getuigenis en dat geloof schuilt achter de belijdenis der kerk. Zoo is haar belijdenis uit het leven geboren en getuigt van haar geloof en leven.

Daarom zet de dogmatiek ons in de belijdenis der kerk, zoodat de dogmatiek kerkelijk-confessioneel is bepaald.

Wijl echter de belijdenis uit het leven des geloofs is geboren, zal de man, die zich met de dogmatiek bezig houdt, dat leven moeten verstaan. Ook hij zal uit het geloof moeten leven, zal hij verstaan, waarmede hij bezig is. Zoo alleen kan hij het leven, dat achter de belijdenis ligt, mede leven en de belijdenis als een draagvlak van het kerkelijke leven ziert en haar stellen onder den toets der Heilige Schrift, waaronder zij gesteld wil zijn.

De vraag kan rijzen, of de Heilige Schrift dan niets te zeggen heeft tot den ongeloovigen mensch. De apostel Paulus leert, dat de natuurlijke mensch niet verstaat de dingen, die des Geestes Gods zijn. Zij zijn hem een dwaasheid. Zij glijden langs hem heen. (1 Cor. 2 : 14). Daarin ligt alzoo besloten, dat de natuurlijke mensch niet geestelijk onderscheidt en verstaat. Daartoe heeft hij het licht des Heiligen Geestes noodig.

Indien wij echter zouden meenen, dat de Heilige Schrift den natuurlijken mensch niets te zeggen heeft, — zou men daaruit de conclusie kunnen trekken, dat hij zich om Gods Woord niet heeft te bekommeren, zoolang hij niet is bekeerd. Deze dwaze opvatting is heusch niet zoo zeldzaam als men denkt. Er is een zekere onverschilligheid, die de Heilige Schrift veracht, omdat zij goed is voor vrome menschen.

Anderen zullen dat zoo niet zeggen, maar stellen het lezen van den Bijbel, evenals het kerkgaan, uit tot een gelegener tijd.

En dan is er ook een zekere „vroomheid", die het lezen der Heilige Schrift nalaat, omdat zij het nutteloos acht, zoolang het innerlijk licht ontbreekt.

Men zou zoo den indruk krijgen, dat God Zijn Woord alleen heeft geopenbaard voor Zijn kerk, en dat het aan de wereld niets te zeggen heeft. Toch is dat niet zoo, want wel heeft de Heere aan Zijn kerk het Woord toebetrouwd om het te bewaren. En hoe zou het anders? Want de Kerk des Heeren, die uit het Woord leeft, kent het ook als het levende Woord en als een kracht Gods tot zaligheid.

Hoe zou de wereld het bewaren, diei de waarheid Gods ten onder houdt? Maar dat zegt toch niet, dat God door Zijn Woord tot de wereld niets te zeggen heeft?

Juist, omdat het Gods Woord is, zal het zelfs ook door de wereld niet straffeloos worden veracht.

Juist, omdat God zich in de Schrift te kennen geeft om een menschelijke wijze, zoodat Zijn Woord in menschelijke gestalte tot ons komt, spreekt het hem verstandelijk aan.

Als God zich aandient als de Schepper van hemel en aarde, heeft dat ook voor den natuurlijken mensch zin en stelt hun voor een eisch. En als God gehoorzaamheid aan Zijn gebod gebiedt, getuigt zijn geweten mede.

Hoe zou de mensch de waarheid ten onder kunnen houden en het gebod Gods kunnen weerstaan, als het niet op eenige wijze tot hem kwam ? (Vgl. Rom. 1 : 18 v.v.; 2 : 14, 15). U het nog noodig te wijzen op de profetieën, die tot de volkeren zijn gericht ?

Het leidt daarom geen twijfel, dat de Heere in Zijn Woord ook de wereld aanspreekt en tot den natuurlijken mensch wat te zeggen heeft. En wat grond zouden wij hebben om van algemeene openbaring te spreken, indien dat niet zoo ware.

In die algemeene openbaring ligt toch de grond van het Godsbesef en de werking van het geweten. Krachtens de algemeene openbaring is er een klankbodem, waarin het Woord der Schrift resoneert. Het moge dan niet geestelijk worden verstaan, men kan toch niet ontkennen, dat het wat tot den mensch zegt en zijn gevoelen en denken raakt.

Hoeveel toch wordt er in de wereld naar aanleiding van Schriftwoorden en Schriftuitspraken geschreven én geredeneerd op een wijze, die alle geestelijke onderscheiding mist. Gezwegen nog van den opzet om Schriftwoorden te misbruiken ten einde degenen, die tot zulk een mate van verharding niet vervielen, met hun drogredenen ook den eerbied voor het Woord te benemen. Wij zullen dan ook de gangen van Gods Woord in de wereld nimmer bevroeden, doch, omdat het Gods Woord is, zal het nimmer ledig wederkeeren. Daarom zal ook de wereld rekenschap geven aan Hem, die het gesproken heeft, over het Woord, dat tot haar kwam.

De straf Gods wacht hen, die het gehoord zullen hebben en niet gedaan. Wij vragen : zijn dat verstandelijke of geestelijke hoorders? Zoo zij geestelijk zijn, zijn zij in Christus, en in Hem geheiligd, zoodat zij rechtvaardig voor God gerekend worden. Maar dan is het ook duidelijk, dat de Heere rekenschap vraagt van het Woord, dat tot hem kwam, die in zijn onbekeerlijken wandel bleef volharden, en dat Hij het van hem zal eischen.

Zoo wordt den mensch alle onschuld benomen. Hij kan het gericht Gods niet ontgaan door een beroep op de noodzakelijkheid van geestelijk licht, hoezeer alleen de kinderen des lichts de dingen des Geestes Gods verstaan. En als de Heere den mensch niet onschuldig houdt, wijl Hij hem Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid openbaart en het werk der Wet heeft geschreven in zijn hart, hoeveel te minder zal Hij onschuldig houden, die Hij onder de prediking van Zijn Woord heeft gebracht.

En dat alles is zoo, omdat God gesproken heeft en Zijn Woord in de wereld bewaart. Zoo nemen zij ook het Godsgericht weg en maken het te niet, die zoeken te ontkennen, dat God Zijn Waarheid in de wereld heeft doen ingaan. „Indien Ik niet gekomen ware, en tot het gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hunne zonde". (Joh. 15 : 22).

Zoo nemen ook zij, die de Heilige Schrift berooven van haar goddelijk gezag, niet alleen den grond en de zekerheid des geloofs weg, maar zij maken ook het goddelijk gericht tot een twijfelachtige zaak.

En het behoeft ons niet te verwonderen, dat dit soort van theologen den mond vol heeft van allerlei spanningen, die zij construëeren, omdat zij de waarachtig vitale geestelijke en zedelijke spanningen stelselmatig breken.

Houden wij ons dan aan het Woord des Heeren, die den verzoeker in de woestijn weerstaat met „Er is geschreven" en betuigt, dat de mensch bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

DOGMATIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's