Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina
23)
Hij was er toch diep van overtuigd, dat hij daarom het teeken van den honig waardig was gekeurd, omdat de Heere der heirscharen zich van zijn leven voor Israël in dit land wilde gaan bedienen. Dat wist hij zóó zeker, dat hij ook de rotsvaste zekerheid verkreeg, dat hij van deze plaats weer thuis zou komen, zonder dat hem ook maar één haar zou worden gekrenkt Diep beschaamd om zijn vreesachtigheid, vatte hij het voornemen op, den Eeuwige zijn onbegrensd vertrouwen te bewijzen, door nu rustig en gelaten zijn weg te vervolgen, wat er ook mocht gebeuren. Zachtjes gleed hij naar beneden en kalm ging hij verder. Een droog stuk van een tak nam hij op en droeg dat een tijdlang als wapen, doch toen wierp hij ook dát vastberaden van zich weg, — hij was van gedachte, dat Jehovah een volkomen vertrouwen van hem verlangde. Weer een ander geluid van een dier, anders dan het eerste, maar hem even zoo vreemd en onbekend, hoorde hij nu weer. Hij kromp ineen van schrik en zette het onwillekeurig eerst weer op een loopen, doch die aanvechting duurde toch slechts eenige seconden. Zijn geest, die opgeheven was tot den Eeuwige, toomde zijn lichaam als een schuw rijdier bij den leidsel in, verbood hem zijn gang ook maar het minst of geringst te verhaasten, en stond hem zelfs niet toe om achterom te zien. Hij voelde zichzelf duidelijk als een soort dubbel-wezen. Terwijl hij bespeurde, dat het bloed hem naar het hart drong en terwijl zijn huid onder zijn haar trilde, genoot hij tegelijkertijd den vollen triomf van het hoogere leven in hem.
Het was hem als een vooruitgrijpen op de vriendschap van den wolf en het lam, als iets van dat verbond van den knaap met den leeuw, als iets van het spel van de zuigeling met den adder, waarvan hij had gelezen in de profetieën van Jesaja. Later rekende hij deze, hem zelf geheel vreemde, zelf-overwinning, tot de wonderen van dezen dag.
Het was zóó donker, dat hij niet meer zag, waar hij liep ; alleen de heldere zomerhemel gaf hem nog de richting aan. Nachtvogels schreeuwden en fladderden door de takken der boomen, op den grond hoorde men hier en daar iets rondsluipen en kruipen, allerlei geluiden werden gehoord. Reeds werden zijn voeten erg moe, — daar vernam hij het knarsen en kraken van een met aangetrokken rem naar beneden rijdenden wagen. Nu liep hij zoo hard als hij kan dat geluid na, en bereikte een weg, waar huizen langs stonden. En nu zag hij ook in de verte Haifa in het laatste schijnsel van den Westelijken hemel en met den weerglans van den zeespiegel.
De bestuurder, een man die Duitsch sprak, Iiet hem meerijden tot beneden bij de Tempelierskolonie. Toen hoorde hij tevens, dat het voor een knaap niet geraden was om na zonsondergang door de verste gedeelten van het woudgebergte. Waar hyena's en jakhalzen huizen, te gaan ronddolen.
II. EEN EIGEN ERFELIJKE BEZITTING.
Het was Miri-land, regeeringsterrein, dat den Joodschen immigranten door bemiddeling der vereeniging „Nehemia" als vestigingsplaats werd aangewezen. Als gemachtigde van zijn troep had de Thora-schrijver Sinaï Tulpenbloesem bij den Kaimakam van Haifa de oorkonde in ontvangst genomen over het eigendomsrecht van twaalf stukken land, die tusschen den Kison en de Noordoostelijke hellingen van den Karmel, ongeveer vier uur van Haifa verwijderd lagen, en die zich meer landwaarts in bij het gebied vin de laatste reeds aanwezige Joodsche kolonie Baltjisraël aansloten.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's