De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nog eens over gezangen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nog eens over gezangen

5 minuten leestijd

Op de Jaarvergadering kwam nog eens de gezangenkwestie ter sprake. Dit vond zijn aanleiding in het feit, dat sommige predikanten, die zich daarvan onthielden, gezangen in de samenkomst der gemeente gingen gebruiken.

Bij verschillende gelegenheden hebben wij ons standpunt reeds uiteengezet, hetgeen ook het standpunt van het Hoofdbestuur is. Ter vergadering heeft de Secretaris ds. Timmer dit gereleveerd. Daarbij is gebleken, dat deze zaak ten zeerste de belangstelling der vergadering had en er gingen zelfs stemmen op daaraan een vergadering te wijden.

Of wij dan deze kwestie niet zoo belangrijk achten ?

Op zich zelf genomen is het ongetwijfeld een belangrijke aangelegenheid. Anderzijds moet het ons echter van het hart, dat er veel gewichtiger dingen zijn.

Indien het alleen de vraag ware, of er gezangen in de gemeente mogen worden gezongen, zou dit wellicht ook nog stof opwerpen, maar dan was de kwestie niet zoo netelig.

En, indien de drang naar het gezang, die bij sommige predikanten openbaar wordt, uit geen ander motief opkwam, dan dat men van de heilsfeiten wilde zingen naar het voorbeeld der lofzangen van Zacharias en Simeon, dan ware er wellicht een kerkelijke oplossing te vinden.

Niemand toch zal beweren, dat de genoemde lofzangen de gemeente op een onschriftuurlijken weg hebben gebracht. Zouden wij het Nieuwe Testament in de gemeente prediken en lezen, en zouden wij het niet mogen zingen?

Wie zou zoo iets durven volhouden ?

Wij zeggen deze dingen met groote vrijmoedigheid, omdat wij gegronde redenen hebben onder de omstandigheden, waarin de kerk verkeert, het gebruik van andere dan de bekende eenige gezangen achter de psalmen na te laten.

Deze redenen weerhouden ons echter niet vrij uit te spreken, dat er principieel genomen geen bezwaar kan gemaakt worden tegen een echt Nieuw-Testamentisch lied in de kerk, d.w.z. tegen het Nieuwe Testament in den lofzang der gemeente, zooals wij daarvan in de genoemde lofzangen eenige voorbeelden hebben.

Wij zeggen daar echter onmiddellijk bij, dat wij gedurende al den tijd, dat wij het Woord mochten bedienen, geen behoefte aan gezangen hebben gevoeld, hoezeer wij bij de Kerstprediking den schoonen zang van Zacharias nimmer hebben overgeslagen. Integendeel, het lied der gemeente in de psalmen gegeven, waarin het leven van de kerk tintelt, heeft zijn ongeƫvenaarden rijkdom, schoonheid en kracht in de historie van alle tijden bewezen.

En de gemeente verstaat het en zingt het in de straalbreking van het licht, dat in Bethlehem is opgegaan.

Het is dan ook op dien grond, dat wij geenszins onbevangen staan tegenover den roep om het Nieuw-Testamentische lied. In de practijk vreezen wij, dat zich daarin al te zeer de begeerte naar het vrije lied mengt.

En dat nu is niet alleen op zich zelf een gevaar. O, zeker, men kan als argument aanvoeren, dat er onder de kinderen Gods ook wel dichters kunnen schuilen, die op voortreffelijke wijze het leven der kerk vertolken in hymne en geestelijk lied. Men kan wijzen op Luther, wiens dichterlijke geest veel vrijer tegenover het gezang stond, op de Engelsche en Fransche kerken met hare gezangen. En niemand zal aan de buitenlandsche kerken op grond van het feit, dat zij gezangen zingen, ontzeggen, dat zij kerken zijn. Calvijn heeft tot de kenmerken der ware kerk nimmer het niet zingen van gezangen genoemd. Maar het een noch het ander kan ons er toe bewegen voor het gebruik van gezangen te gaan pleiten en zeker niet in de huidige omstandigheden.

Waarom niet? Omdat de roep om het Nieuw-Testamentische lied in onze dagen, geen enkele waarborg biedt, dat het gewenschte lied waarlijk Nieuw-Testamentisch zal zijn.

Wij leven n.l. in een tijd, waarin nieuwerwetsche denkbeelden in de kerk trachten door te breken, die een vrijheid tegenover de Heilige Schrift propageeren, die een eigenwilligen godsdienst verraadt.

Die vrijheid zal buitengewone belangstelling hebben voor het vrije lied.

Men leert tegenwoordig een openbaringsmonisme, dat geen normatief gezag toekent aan het getuigenis der apostelen en profeten, m.a.w. geen goddelijk gezag aan dat getuigenis als zoodanig kan toekennen. God zou niet door de profeten en de apostelen spreken, maar deze mannen spreken over God. Wij zouden alzoo in de Heilige Schrift niet Gods Woord bezitten, en ons in laatste instantie niet op de uitspraken der Schrift kunnen beroepen.

De goddelijke Waarheid is daarboven verheven, zoo redeneert men. Hoe men dan toch nog van openbaring en geloof spreekt?

ledere ketter heeft zijn letter. Dan beroept men zich op den Heiligen Geest. De Heilige Geest openbaart alleen gezaghebbend. De Heilige Geest kan ons aanspreken en zeggen, dat God zich in Jezus Christus geopenbaard heeft. De Heilige Geest zet ons dan in de vrijheid tegenover het getuigenis der apostelen en profeten. Zoo wordt de zaak juist omgekeerd. Wij toetsen het getuigenis der apostelen en profeten aan ons geloof in die openbaring van den Heiligen Geest. En niet, zooals de reformatoren ons hebben geleerd, dat wij ons geloof hebben te gronden op de Heilige Schrift, daarnaar te reguleeren en daarmede te bevestigen.

Er wordt nog al eens gewezen op het Doopersche gevaar in kringen, die zich bij uitstek gereformeerd willen noemen.

De waarheid eischt te zeggen, dat dit gevaar niet denkbeeldig is. Met allen nadruk op het persoonlijk en geestelijk karakter des geloofs, moet men erkennen, dat er een z.g. geestelijkheid is, die duidelijk Doopersche neigingen vertoont.

Er openbaarde zich een Doopersche beweging in den tijd der Reformatie, waartegen de Reformatoren den strijd hebben aangebonden, en die inslag is er.

Calvijn was een tegenstander van de allegorese, niet zonder grond. Het is echter merkwaardig, dat de distantie-theologie in haar Schriftbeschouwing en openbaringsleer de symptomen vertoont van een mystiek, die evenzeer gevaar loopt in Doopersche wateren uit te monden. Daartegen te waarschuwen en vast te houden aan de gezonde leer is van grooter gewicht dan over gezangen te praten en een reden te meer deze zaak te laten rusten en zich te houden aan de onder ons gebruikelijke liturgie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Nog eens over gezangen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's