De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerkbouw in dezen tijd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkbouw in dezen tijd

8 minuten leestijd

Het is misschien goed in dit blad eens te praten met onze kerkvoogden over dit onderwerp. Wel nooit zijn de kerkvoogden zoo en bloc voor den bouw van kerken geplaatst als in dezen tijd, nu de oorlog zooveel kerken verwoestte. Voorheen was de kerkbouw alleen een gedurig probleem in steden en fabrieksdorpen, waar men een sterke bevolkingsaanwas had of een verplaatsing van de bevolking. Zoo kwam Rotterdam Centrum te zitten met groote, dicht bij elkaarstaande kerken in een binnenstad van winkels en kantoren en pakhuizen, terwijl de bevolking verhuisde naar de randgemeenten, waar kerk na kerk gebouwd moest worden. Charlois, Feyenoord, Tuindorp, Delfshaven, Hillegersberg, ze kregen alle hun nieuwe kerken. Ook dorpen als Ede, Rijssen, Huizen, Hoogeveen enz. moesten of moeten naar tweede of derde kerken omzien. In die gemeenten weten de kerkvoogdijen raad met die problemen. Maar nu werden ook die kerkvoogden opgeschrikt, die tot nu toe als hun eenige taak kenden het schoonhouden en het gewone onderhouden der gebouwen, hoogstens een enkele maal het verbouwen tot uitbreiding van het aantal zitplaatsen. Een heele frontgordel kwam in den oorlog dwars door ons land, waarin niet in de laatste plaats kerken en kertkorens beschoten werden als vijandelijke wachtposten. Ook wel buiten dien gordel werden hier en daar kerken verwoest door bombardementen. Nu liggen in die oorlogszone juist heel wat gemeenten, die tot onze richting behooren, waar men de kerk gedeeltelijk of geheel zag verwoesten. Onder meer anderen zijn te noemen de kerken van Dinteloord. Meeuwen, Babyloniënbroek, Eethen, Drongelen. Genderen, Aalburg, Wijk, Zuilichem, Nieuwaal, Gameren, IJzendoorn, Kesteren, Opheusden, Wageningen, welke vielen, een rij van West naar Oost. Van de meeste bleef niets of weinig over. Juist over de gebouwen waarvan nog iets overbleef wilden wij het hebben, 't Waren haast alle gebouwen van stijl en van waarde. Hopelijk zal Monumentenzorg op zijn post geweest zijn om direct de schade op te nemen en de hand te leggen op overblijfselen, die voor restauratie in aanmerking komen. Naast Monumentenzorg opereert een machtig heir van vakbekwame, en ook minder vakbekwame wederopbouwers. Nu lijkt het mij toe, en daar wil ik tegen waarschuwen, dat er wel eens gesloopt wordt, waar wel degelijk restauratie mogelijk zou zijn. Wel van zeer nabij is mij een geval bekend, waar ter wille van den geheel nieuwen aanleg van een dorp de geschonden kerk werd afgebroken. Daar viel een oude Gothische kerk onder sloopershanden, terwijl het oude eikenhout van de bekapping, met rosetten en al, bij stapeltjes als brandhout verkocht werd. Moge dan die gemeente een mooi plan klaar hebben om eerlang een mooie kerk te bauwen, passend bij die streek, moge door het afbreken van de ketk dat dorp iets ruimer gebouwd worden, te betreuren blijft het verlies van een historisch kerkgebouw. Dat gebeurde in '40. Napraten helpt voor die gemeente niet, voor andere dorpen kan het nut doen. Laat men niet te spoedig de waarde van oude kerken en kerkjes over het hoofd zien. Soms zit onder een witte kalklaag of onder een grauwe pleisterlaag een gebouw dat bij goede restauratie mooier zal blijken te zijn dan elke nieuwbouw. Ook uit utiliteitsoverwegingen moet men niet te gauw gaan breken, menig gebouw werd afgebroken, geheel of gedeeltelijk, omdat men nu een kans zag tegelijk een grootere kerk te zetten, met de noodige vergaderzalen. Een vergaderzaal is altijd iets anders dan een huis des Heeren en men moge dan naar Amerikaansch model een bruikbaar gebouwencomplex hebben, wij voor ons gevoelen er toch altijd meer voor cm de kerk te doen zijn „huis des Heeren, huis des gebeds".

Op enkele tochten door geteisterde gebieden zagen wij kerken, die zoo voor het oog aan elkaar hingen, zoodat wij op het eerste gezicht zouden zeggen: „Sloopen!" Toch staan wij telkens weer verbaasd, als wij zien wat bij vakkundige behandeling nog gespaard en hersteld kan worden. Men doet dus altijd verstandig als men voor alles Monumentenzorg er even bijhaalt, die gratis adviseert. Men gaat zelfs niet altijd veilig als men een architect raadpleegt, die u zeker wel een behoorlijk plan aan de hand kan doen, maar lang niet altijd de juiste waardeering heeft voor historische bouwwerken. Er is meer getreurd over afbraak dan over nieuwbouw. Zorgvuldige opname van schade en bouwmogelijkheden kan ons ook Nehemia's tocht langs Jeruzalem's muren leeren. Dat wat het negatieve betreft, hef breken. Nu het positieve, het bouwen.

Het spreekt vanzelf dat de eeredienst dadelijk hersteld moet worden, zoodra de gemeente of een deel van de gemeente weer bijeen is. De kerk hangt niet aan het gebouw. Niet daar is de kerk waar een gebouw staat, maar waar de gemeente samenkomt. In Nehemia 8 leest ge dat het volk van Jeruzalem zich samenvergadert als een eenig man op de straat voor de Waterpoort en dan zegt het volk tot Ezra dat hij de wet van Mozes zal halen en lezen. Treffende honger naar Gods woord in het nog niet herstelde Jeruzalem, geen begeerte naar vermaak of ontspanning, maar naar het woord des Heeren. Zij vervaardigen een hooge houten stoel, van waaraf Ezra, de schriftgeleerde, straks spreken zal. Als het boek geopend wordt, verheft zich de vergadering en voordat iets gelezen wordt zegt het heele volk met opheffing der handen Amen Amen. Als dan de wet gelezen is, wordt ook de zin dier schrift verklaard, zóó dat ieder die schrift begrijpt. Deze preek in de open lucht grijpt de menschen zoo aan dat het gansche volk weent. Heerlijke bewogenheid nog lang na de verwoesting, het zij zoo ook in onze verwoeste gemeenten ! Ge kunt met Nehemia 8 ook vergelijken de hagepreeken in den tijd zonder kerken.

Dat men dus terstond den eeredienst herstelt, is eisch der Schrift en in de lijn der historie. Het klimaat zal in ons land ook vanzelf doen uitzien naar een geschikte vergaderruimte, waartoe zich kan leeneen een noodkerk, in der haast opgetrokken, een veilinggebouw, een garage, een boerenschuur. Men spreke over zoo'n noodwoning der kerk niet laatdunkend. Als daar het woord des Heeren en de sacramenten bediend worden en als de gemeente daar samenkomt is dat eenvoudige gebouw even heilig als de tempel in Jeruzalem. Wie zal zeggen wat goede uren daar worden doorgebracht, 't Zijn vaak de slechtste tijden niet voor een gemeente als ze er wat voor doen moet en zich behelpen moet om God's woord te kunnen hooren en als men de beurten verdeelen moet om in te kleine ruimten het evangelie te kunnen hooren. Liefelijk is het zelfs als wij in dezen tijd herberg kunnen verleenen aan gescheiden broer deren, heerlijk herstel van allerlei onheilige behandeling in het verleden en even liefelijk is het als de afgescheidenen ons ontvangen om in hun kerk woord en sacramenten te mogen ontvangen en bedienen.

Nu zal bij de goede kanten die daaraan zijn niemand graag 'n noodtoestand bestendigen. Gaarne wil men herbouwen en het doet weldadig aan als men tegelijk met die voor eigen huis en boerderij of fabriek ook plannen maakt voor den herbouw der kerken. Nu doet zich de vraag voor of men wel materiaal mag aanvragen en beschikbaar stellen voor een kerk, terwijl vele menschen in noodwoningen, zelfs kippenhokken en bunkers moeten verkeeren. Als wij zien hoe ook in dezen tijd gebouwen van vermakelijkheid (bedenkelijke vermakelijkheid intusschen) als bioscopen worden opgetrokken, dan zeggen wij: „Zeker het mag en moet zelfs vóór dat al".

Als wij zien hoe de Roomsch Katholieke kerk met behulp van Wederopbouw reeds zes kerken deed verrijzen, terwijl nog niet één protestantsche kerk gebouwd werd (toestemming werd gegeven voor een tweetal), dan zeggen wij weer : „Het mag en het moet". Wij doen echter ook hier goed te vragen naar de meening van de Schrift, die ook hier licht laat schijnen over het zedelijk verantwoord zijn, al of niet, bij het bouwen van kerken in noodtijden als de onze.

In de profetieën van Haggaï wordt bezwaar gemaakt tegen het wonen in gewelfde huizen, terwijl des Heeren huis wordt woest gelaten. Hier wordt dus gewezen op het klaar zijn en mooi zijn der huizen en op het woest blijven van den tempel. Tijdens het herbouwen der woningen klaagt geen profeet, dat het werk aan den tempel nog niet ter hand genomen is, maar zoodra die klaar zijn — en dan mag nog niet aan weelde gedacht worden — is het naar Haggai eisch des Heeren dat eerst aan het huis des Heeren gearbeid wordt. Dan is de noodkerk maar noodkerk. Onze voorouders bouwden — en wij willen hen navolgen — in de oude steden hun schoone Godshuizen tusschen de eenvoudige, vaak houten woningen, zoodra het heele stadsbeeld beheerscht werd door de kerk, als een zichtbare prediking van het woord : „Gij zult God liefhebben boven alles".

(Bleskensgraaf)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Kerkbouw in dezen tijd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's