De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Te zwaar

7 minuten leestijd

Want mijne ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden. Psalm 38 vs. 5.

Uit deze tekst is zoo goed te lezen, wat schuldbesef is. En schuldbesef is noodzakelijk, want schuldbesef voert tot schuldbelijdenis en schuldbelijdenis voert tot schuldvergiffenis. Dit is de Goddelijke orde, de orde des Geestes, bij het roepen van een zondaar uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht.

Voor wie deze zaken ernst zijn, is het ontroerend te lezen, wat David hier zegt van zijn ongerechtigheden.

Twee beelden gebruikt hij daarvoor.

Het eerste is dat van een drenkeling, die te water is geraakt en nu met den dood voor oogen ligt. Het is zelfs niet uitgesloten, dat David hier gedacht heeft aan de ruischende kuil van Psalm 40.

In het Oosten kende men de waterkuil, gegraven in de aarde of uitgehouwen in de rots. Want na de regentijd, waarin het vocht overvloedig valt, komt een droge periode ; en dan moet men toch öok water hebben voor mensch en dier. Maat daar het in 't Oosten langdurig droog kan zijn, stonden deze kuilen soms maanden aanéén zonder water. En dan gebeurde het wel, dat zoo'n waterkuil gebruikt werd als bewaarplaats voor een gevangene. Immers de kuil was zóó diep en de wanden waren zóó stijl en glad, dat iemand zonder hulp van buiten daar nooit uit kon komen. Maar nu wijst het woord ruischende op de groote ramp, die den gevangene dreigde. Wee hem, als de regen kwam ! Met stroomen ruischte het de kuil binnen en neergutsend over zijn hoofd, klonk het hem als een doodslied in de ooren, want als men hem dan niet er uit haalde, moest hij onherroepelijk omkomen.

Zoo voelt David zich zinken in zijn eigen verderf. Zijn ongerechtigheden zijn hem geworden als het verstikkende water, waarin de drenkeluig sterven moet. Zijn zonden komen als een lawine over zijn schuldige hoofd, want Gods Geest heeft ze hem indachtig gemaakt.

Het tweede beeld is dat van een mensch, die wankelt onder een zware last, die hem op de schouders is gelegd. Die last is zoó drukkend, dat zijn rug steeds meer gebogen wordt en zijn spieren beginnen te verlammen, en als geen verandering komt, zal hij er onder moeten bezwijken en omkomen. Zoo toont David zijn zondelast. Die is te zwaar voor hem en voert in den eeuwigen dood. Wat heeft David het dus te kwaad met zijn ongerechtigheden. Als verstikkend water zijn ze hem ten doode benauwend en als een zware last zijn ze hem te zwaar geworden.

Te zwaar, dat wordt niet vaak vernomen. Voor den natuurlijken mensch zijn de ongerechtigheden geen last, maar veelal een lust. Ja, de Satan heelt ons zelfs geleerd met duivelsche sluwheid om 't kwaad een goed te noemen. Die gierigaard noemt zijn God onteerende schraperigheid geen gierigheid, maar zuinigheid en prijst zichzelf. Eet maar van de verboden vrucht, en gij zult als God zijn.

De ongerechtigheden geen last, maar een lust, en daarom voortleven naar het goeddunken van eigen verdorven hart. Maar dan vergadert men zich toorn als een schat en het einde is een eeuwig komen tot een te laat berouw!

Hoe staat het met ons? Velen zijn er, die de zonde stellig niet ontkennen, die ook de ellende opmerken, die ze veroorzaakt, die ook een geweten hebben, dat hen er over aanspreekt. Maar het is een droefheid der wereld en geenszins een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt.

Wèl zonde, maar nog niet te zwaar. En daarom geen zielsbehoefte, geen hartehonger om er van verlost te worden.

Doch het is een groot geluk, als een zondaar in droefheid naar God als zondaar voor den hoogen God zich gewonnen moet geven en zoo in zijn ongeluk terecht komt.

Wie werkelijk komt in de leerschool van Woord en Geest, ervaart, dat de Bijbel eerst het tweesnijdend zwaard is, dat de ziel tot in het allerbinnenste stuksnijdt. De Schrift dient om den mensch zondaar te maken, en dat is een wonder. Het is de vernietiging van Gods vijand: het menschelijk ik. Het is de eer geven aan God in Zijn vreeselijke heiligheid. Het is de wegbereiding tot Christus. Het doel van de Schrift, het werk van den Heiligen Geest, is den mensch te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel, zóó streng en zóó geweldig, dat het hem te zwaar wordt en hij God als Verlosser noodig krijgt.

Wij hebben deze opvoedkundige leiding bitter noodig. Niet alleen bij eerste bekeering, maar voortdurend en toenemend. Hoe grooter Gods kind leert denken van zijn zonde, des te dieper mag hij inkomen in de zoete geheimen van Gods genade. En ook omgekeerd: naarmate wij God in Zijn grootheid en majesteit en heiligheid zien, zullen wij onszelf zien in de diepte van ellende. Uit de Wet is de kennis der zonde, wanneer de Heere zelf de heilige eisch der Wet in het binnenste bekend maakt, zoodat Hij onze heimelijke zonde stelt in het licht van Zijn aangezicht. Dan trillen in ons hart de snaren, die bij David trilden, toen hij ons tekstwoord uitkreet. Onder de vernederende hand van den Almachtige wordt het ook bij ons hartetaal: Mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden. Dan spreken wij niet meer van onze tekortkomingen, zwakheden, gebreken, onvolmaaktheden. Dan zijn wij een verloren zondaar, een ellendig mensch, door de aanranding van 's Heeren hooge Majesteit, die om straf roept. Dan drukken onze ongerechtigheden op onze ziel als een last, te zwaar om te dragen. Te zwaar. Ja, daar hebt gij nu 't ware. De echte kennis van ellende wordt hierdoor gekenmerkt, dat zulk een ontdekte van zijn ellende wil en moet verlost worden. Zoolang dat pak niet van zijn schouders is gegleden, heeft hij geen rust en geen vrede. Hij kan het er niet onder uithouden. Telkens, bij dag en bij nacht, keert die gedachte terug en rijst de vraag: Is er nog een weg van ontkoming? Namaak zonde-kennis is er genoeg, teveel. Dan kunnen de lippen er zoo gemakkelijk van spre­ken, dan is het nog niet te zwaar geworden en dan is de practijk : duisternis en nog eens duisternis en bij het sterven nog duisternis en daarna eeuwige duisternis.

Maar als de zonde mij werkelijk zonde wordt, dan lig ik in al mijn erbarmelijkheid aan den troon der genade als een smeekeling en ja, dan moet ik eenerzijds zeggen: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch, maar anderzijds kan ik niet nalaten te roepen: Heere ontferm U mijner.

Te zwaar, dan moet er een Helper komen.

Worstelende zielen, die Helper is er ! De Middelaar Jezus Christus, Wiens genade grooter dan uw zonde is. Wat uw verslagen ziel te zwaar is geworden, was Hem niet te zwaar.

Hij is verdronken in de ruischende kuil van uw ongerechtigheden, en bezweken onder den last van uw zonden, in Zijn gansche leven van kribbe tot kruis. Hij heeft de schande veracht en het kruis verdragen en is nu gezeten aan de rechterhand van den troon Gods. Het is volbracht! Als de last u dan te zwaar is, als de onheiligheid van uw hart u een onduldbaarheid is geworden, ga er mee naar Jezus toe, dat Hij u toch noodzakelijk en onmisbaar worde ! Van wie tot Hem kwam met het hoofd onder de golven en de rug onder den last, heeft Hij nog nooit iemand weggestooten. Waar de Jezus-Naam door reddeloozen, die met den dood worstelen wordt aangeroepen, daar is Hij en daar helpt Hij. Daar wordt u uit louter genade een grond onder de voeten gegeven, waarop gij staan kunt tegen iedere benauwdheid der hel. Daar wordt de last u van de schouders genomen en haalt gij adem in de reine sfeer van verzoening met God door het bloed des kruises.

Daar is het dat de Heere spreekt: Gij kunt niet betalen, gij maakt uw schuld slechts altijd grooter. Maar daarom heb Ik Mijn geliefden Zoon gegeven. God en Mensch. Hij heeft een verdorven natuur aangenomen en zonder zonden te hebben, voor de zonde betaald. Die betaling heb Ik van Hem gekregen, en daarom is er o schuldbewust hart, niets meer tusschen Mij en u. Ik ben uw God, uw Verlosser.

Te zwaar ! Kent gij dat ? Waar dan heen ? Tot U alleen, Heere Christus, Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.

(Sprang)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's