In hoeverre nog vrijzinnig?
Prof. de Vos geeft een belangrijk artikel in het Weekblad van de Ned. Herv. Kerk dd. 26 Oct. j.l. over de vraag : „In hoeverre zijn de vrijzinnigen nog vrijzinnig? "
De auteur wijst daarbij op verschuivingen, welke zich reeds sedert plm. 1900 laten waarnemen bij de vrijzinnigen. Ook in de orthodoxie kan men verschuivingen opmerken.
Wat den aard dezer verschuivingen betreft, spreekt prof. De Vos van toenadering en geeft als zijn meening te kennen, „dat, zij het ook in anderen vorm dan hij zich gedacht had, er kans is, dat in vervulling gaat de hoop van prof. De Graaf, op een krachtige partij, samen uit velen, die thans onder modernen, evangelischen en ethisch orthodoxen verdeeld zijn en die toch weinig meer scheidt dan naam en verleden".
Wellicht is die kans, zelfs zoo als het er staat, niet zoo groot, als de heeren De Graaf en De Vos meenen. Wij zijn er echter van overtuigd, dat die hoop door velen wordt gekoesterd en dat die ook hun actie bepaalt. Anderzijds zijn er niet alleen vrijzinnigen, die de verschuiving niet meemaken, waarop ook prof. De Vos wijst, onder opmerking, dat er een spanning binnen het vrijzinnig protestantisme valt waar te nemen, die wel eens tot een breuk kan leiden.
Wij hebben daarop in ander verband reeds de aandacht gevestigd.
Het is volstrekt niet zoo zeker, dat alle „ethischorthodoxen" de verschuiving mede maken. Voor dezen beteekent de verschuiving een overgang naar het „paradoxale" denken, zooals wij van dr. Bartels hebben vernomen. Anderen uit deze groep staan voor „synthetische" bezwaren, die mogelijk voor ethisch orthodoxen niet zoo gemakkelijk te overwinnen zijn, als men wel gedacht heeft.
Zoo kan er aan het voorgestelde blok nog wel eens meer ontbreken, dan sommigen zich voorstellen.
Confessioneelen en gereformeerden worden in de opsomming van prof. De Graaf niet genoemd. Dit wordt door prof. De Vos niet voorbijgezien, al gaat hij daarop verder niet in.
Toch komen in zijn artikel enkele opmerkingen voor, die teekenend zijn. Zoo schrijft hij : „Het Protestantisme als zoodanig en zeker het hedendaagsche, kent aan de Kerk en aan den Bijbel als empirische gegevenheden geen goddelijk gezag toe. Dit blijkt, wat de Kerk betreft, eigenlijk reeds uit art. 7 Conf. Belgica".
Wat de kerk betreft heeft hij gelijk, maar art. 7 kent aan de Goddelijke Schriftuur uitzonderlijk en boven alle menschelijk geschrift goddelijk gezag toe. Dat is juist de strekking van art. 7, en de ware Confessioneel, evenals de Gereformeerde, belijdt dit met art. 7 nadrukkelijk.
Wat nu, tellen deze beide groepen dus niet meer mede, als gesproken wordt van het hedendaagsche Protestantisme?
O, zeker, onder de Confessioneelen en — mogelijk ook onder hen, die zich nog Gereformeerd noemen, — komen mannen van de nieuwe richting voor. De Schriftbeschouwing, door prof. Van Niftrik in zijn „Kleine Dogmatiek" gegeven, geeft alle recht om hem bij dat hedendaagsche Protestantisme te rekenen, dat geen goddelijk gezag aan den Bijbel als empirische gegevenheid toekent. In dit opzicht laat de „Gereformeerde Kerk", orgaan van de Confessioneele Vereeniging, echter een ander geluid hooren, en wij houden ons overtuigd, dat de waarlijk confessioneelen in de verschuiving naar dit hedendaagsch Protestantisme niet meegaan, zoomin als de gereformeerden.
Voor hen zal de belijdenis van art. 7 haar fundamenteele beteekenis blijvend behouden, op grond van het getuigenis des Heiligen Geestes.
De erkenning, dat de Heilige Schriftuur voor ons eerst het levende Woord Gods blijkt te zijn door den Heiligen Geest, maakt den Bijbel nog niet tot een tooverboek, hetwelk van eenig ander menschelijk geschrift slechts daarin verschilt, dat God er door Zijn Geest gebruik van wil maken om Zich aan menschen te openbaren.
Het is bovendien ongerijmd, dat de Heilige Geest aan deze „menschelijke" geschriften, door menschen opgesteld, zo gebonden zijn, indien Hij die menschen niet als Zijn organen en ministri heeft gebruikt.
De Heilige Geest zou gebonden zijn aan het vrije getuigenis van den mensch en dat vrije getuigenis van menschen zou op een moment tot de baarmoeder van het Woord Gods worden voor den mensch, wien dat te beurt valt.
En dit ten gunste van het persoonlijk geloof, hetwelk als een gloednieuwe ontdekking van het hedendaagsch Protestantisme wordt aangediend. Geenszins willen wij den nadruk op persoonlijk geloof wegnemen maar wel moeten wij er op wijzen, dat het gereformeerd Protestantisme dien nadruk nimmer vergeten heeft. Vandaar de beteekenis van het „Innige Christendom", van het piëtisme, van bevinding, onderwerpelijke en onderscheiden prediking, verschijnselen, die in hun eenzijdigheid tot allerlei dwalingen aanleiding kunnen geven, maar die toch alle te maken hebben met den eisch van persoonlijk geloof.
Het personalisme, dat men thans aanprijst, moet in verband met de hedendaagsche Schriftbeschouwing noodzakelijk leiden tot een religieus individualisme, en niet alleen daartoe leiden, want in den grond der zaak komt het er uit op. En dit laatste nu is ondanks de verschuiving, waarvan prof. De Vos spreekt, geen nieuw verschijnsel in het vrijzinnig Protestantisme. Immers dit heeft steeds ruimte, gevraagd voor persoonlijke interpretatie. En de verdraagzaamheid, welke het voorstaat, zit voor een groot deel daarop vast.
In zooverre nu onder den invloed der Barthiaansche Schriftbeschouwing een verschuiving mag worden geconstateerd in de kringen van „evangelischen" en „ethisch-orthodoxen" en onder sommige meer „rechtsche" elementen, zal men elkander mogelijk binnen zekere grenzen in deze verdraagzaamheid vinden en een partij, als door prof. De Graaf gehoopt, vormen.
De tegemoetkomende houding jegens de vrijzinnigen door de leidende personen en organen in de Hervormde Kerk aan den dag gelegd, doet zelfs vermoeden, dat zij de vervulling van deze hoop programmatisch nastreven.
De doorbraak van het partijwezen, waarvan men spreekt, en die op staatkundig terrein een soort monopolie scheen op te eischen voor de Partij van den Arbeid, verschijnt dan wel in een eigenaardig licht.
Dr. Bartels roemde de ethische richting als feitelijk de eenige, die tot kerkelijk denken was uitgebroken. Dat zij zich ook in den geest van het „hedendaagsche Protestantisme" beweegt, is duidelijk gebleken.
In al die Raden en Werkgroepen : Kerk en Wereld, Kerk en Jeugd, Kerk en vul maar in, de Kerk spreekt e.d.g., schuilt mogelijk wel iets van een Partij van de Kerk, althans van een geest, die zulke gedachten oproept of daartoe aanleiding geeft.
Wij denken er niet aan, iemand iets in de schoenen te schuiven en gelooven aan de goede trouw van zoovelen, die zich met al hun kracht en ijver aan de kerkelijke zaken wijden, zooals zij die zien en meenen te moeten dienen.
Dat alles kan ons echter niet weerhouden met nadruk te wijzen op de gevaren van onderstellingen, als aan het „hedendaagsche Protestantisme" ten grondslag liggen, met name ten aanzien van de Schriftbeschouwing, omdat deze voor kerk en theologie van principiëele beteekenis is voor de waardeering van het wezen en de openbaring der kerk, gelijk zij zich in alle deelen van de dogmatiek laat gelden.
Men gewaagt nog al eens van de waarheidsvraag. Het antwoord, dat men daarop geeft, uit welken grond dan ook, is eenerzijds beslissend voor zijn waardeering van het gezag der Heilige Schrift, terwijl anderzijds de erkenning van het goddelijk gezag der Schrift over het antwoord beslist.
De een acht op grond van wijsgeerige overwegingen of Schriftcritiek het goddelijk gezag der Heilige Schrift als empirische gegevenheid onaanvaardbaar en trekt zich terug op een persoonlijke openbaring van den Heiligen Geest.
De ander beroept zich op het getuigenis des Heiligen Geestes voor zijn geloof, dat deze boeken van God zijn en vindt zijn geloof door het getuigenis der apostelen en profeten bevestigd.
De waarheidsvraag beweegt zich alzoo in eerste instantie om de Heilige Schrift zelf. Is de Heilige Schrift Gods Woord, ja dan neen ?
En als een of ander woord van een apostel of een profeet door den Heiligen Geest tot Gods Woord kan worden, wat kan er in den weg staan, dat de gansche Schrift door den Heiligen Geest tot Gods Woord kan worden?
Hier kan geen wijsgeerige theorie of historische critiek een afdoend argument tegen aanvoeren. Als God van het deel gebruik maakt, waarom niet van het geheel ?
En als één woord Gods Woord worden kan, als zoo de geheele Schrift Gods Woord worden kan, wat geestelijk argument kan verhinderen, dat zij als geheel Gods Woord niet slechts door den Heiligen Geest kan worden, maar Gods Woord door dienzelfden Geest is?
De Schriftcritiek heeft zich van meet af tegen de leer eener letterlijke inspiratie gericht, hetwelk slechts zin zou hebben, indien wij de eigen handschriften der profeten voor ons hadden.
En merkwaardiger wijze, neemt dit nieuw-Protestantisme letterlijke inspiratie aan, waar het innerlijk licht dit zou laten gelden.
Dit personalisme werpt zoo maar de gemeenschappelijke beleving en het innerlijk licht van de kerk der eeuwen in haar Oud-Testamentische en Nieuw-Testamentische openbaring op zij.
Indien men in dezen weg doordrijft, zal er van een „belijdende" kerk weinig terecht komen en is het gevaar niet denkbeeldig, dat men in Doopersche wateren uitmondt. Er zullen wel vrijzinnigen zijn, die niet meegaan. Toch is de figuur niet zoo vreemd. Spinoza ondervond veel vriendschap van de Mennonieten.
Intusschen opent prof. De Vos een aspect op de verschuiving, dat verhelderend kan worden genoemd voor de beoordeeling der situatie. Het hedendaagsche Protestantisme is aan de instemming met de belijdenis der kerk aangaande de goddelijke autoriteit der Heilige Schrift nog niet toe.
En het gereformeerd Protestantisme kan deze belijdenis niet loslaten, zonder zijn reformatorisch karakter radicaal in te boeten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's