De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Het goede voornemen van Hizkia

9 minuten leestijd

Nu is het in mijn hart, een verbond te maken met den Heere, den God Israëls. 2 Kron. 29 vs. 10a.

Daar is en daar wordt in onzen tijd veel gesproken over herstel en vernieuwing. Veel vereenigingen worden opgericht, die dat herstel tot doel hebben, denk aan Volksherstel — veel commissies worden benoemd, die over die vernieuwing spreken of die moeten voorbereiden.

En zeker, in de jaren die achter ons liggen, is veel vernield en verwoest. En daarom zijn herstel en vernieuwing dringend noodig en het is goed, dat hiernaar wordt gestreefd.

Maar nu is hierbij één ding van het allergrootste belang en dat is de vraag : herstel van wat ? en vernieuwing waartoe ? En toch, dan hooren we hoe velen antwoorden op de vraag : herstel van wat ? wel, natuurlijk van alles, wat door den oorlog is beschadigd en verwoest, opbouw van de huizen en dgl., en dat ze antwoorden op de vraag: vernieuwing waartoe ? wel, naar een betere toestand om in te leven, een blijvenden vrede, een betere wereldorde.

Ja, dat is zoo in het algemeen wel datgene, wat velen voor oogen staat, als er gesproken wordt over herstel en vernieuwing.

Doch, mijn lezer, hier raken we aan een punt, waar wel eens op gewezen moet worden. Want, nogmaals, herstel en vernieuwing, het is een schoone leuze, maar alleen als hierbij maar heel duidelijk voor oogen staat, wat er moet worden hersteld en waartoe er moet worden vernieuwd en de weg, waarlangs dit moet geschieden. En dan moet het zwaartepunt niet liggen in 't stoffelijke, evenmin in 't Maatschappelijke, doch dan moet het liggen in het godsdienstige, het geestelijke. Dan moet het „wat" van het herstel zijn de ware dienst van God, den Heere, en al wat daarmee verbonden is, en dan moet het „waartoe" van de vernieuwing zijn, de waarachtige vernieuwing des harten door de wedergeboorte uit den Heiligen Geest en als vrucht daarvan de ware bekeering en een leven der dankbaarheid. Want zoó alleen zal er ooit waarlijk sprake kuniien zijn van herstel en vernieuwing.

Dat heeft wel heel duidelijk verstaan ook de jonge koning Hizkia, toen hij bij den aanvang van zijn regeering het woord sprak, dat hierboven staat aangehaald. Hoe droevig en bang zag het er in zijn land uit, toen hij den troon beklom. Achaz, zijn vader, was toch wel een van de meest goddelooze koningen, die ooit over Juda hebben geregeerd. Daar zijn er na David en Salomo velen geweest, die gedaan hebben wat kwaad was in de oogen des Heren. Maar niemand heeft het zoo erg gemaakt als Achaz. U moet dat zelf maar eens nalezen. De deuren van het Huis des Heeren werden gesloten, altaren opgericht ter eere van de afgoden der heidenen. Volkomen werd gebroken met den dienst van Jehova, de goden van Damascus waren het, aan wie hij offerde. Zoover is het met hem gekomen. Maar de straf over dit alles bleef niet uit, kón niet uitblijven, want hemeltergend en Godonteerend was toch zijn gedrag. Zwaar, zéér zwaar heeft de hand des Heeren hem getroffen. Ook dat moet u zelf maar eens nalezen. Van alle kanten kwamen de vijanden op hem aan en benauwden hem.

Oorlog en gebrek, armoede en kommer, beroering en onrust, de toorn des Heeren, het verber­gen van Zijn aangezicht, ziedaar, wat Hizkia bij zijn troonsbestijging aantrof.

En wat zal hij nu doen? Zal hij er oog voor hebben, dat herstel en vernieuwing noodig zijn ? En zal hij die weten te brengen ?

Onmiddellijk bij het begin van zijn regeering zien we, dat we hier te doen hebben met een geheel ander man dan zijn vader. In de eerste maand toch, doet hij al de deuren van liet Huis des Heeren open. 't Was hem al lang een oorzaak van diepe smart geweest, de deuren gesloten te zien. Hij wist wel hoe het kwam, dat het er zoo donker voor zijn volk uitzag. Het was, omdat het God verlaten had. Het had toch niet anders kunnen gaan met een volk, dat zoó opging in den dienst der afgoden. Hij, Hizkia, kende en vreesde den Heere ; hij wist hoe de Heere een God is. Die staat op Zijn eer en Zijn recht en tot Zijn schepsel komt met den eisch : Dient Mij!

En, mijn lezer, dan kunt u eens zien hoe gelukkig het was, dat Hizkia den Heere kende en dat dat hij Zijn toorn en Zijn gramschap opmerkte in de gerichten, die over het volk gekomen v/aren. Want juist daarom ziet hij, hoe noodig het is dat er verandering komt, maar, en dat is nog veel belangrijker, ziet hij óok, wat er moet worden hersteld en begint hij dat: waar het altijd begonnen moet worden.

Eerst de deuren van den tempel weer open. Neen, het is niet allereerst zijn zorg, de burgerlijke en stoffelijke belangen van zijn volk te behartigen, doch hij begint met het herstel van den tempeldienst, omdat hij het woord verstond : Zoek eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid.

En dat is ook de goede volgorde.

Het is een ware ernstige les, die Hizkia ons allen leert en die vooral in onzen tijd wel ter harte genomen mag worden. Want, nóg eens, het is op het oogenblik al herstel en vernieuwing, wat de klok slaat, doch bij dat alles wordt nog maar zoo weinig gevonden het openen van de tempeldeuren, het terugkeeren tot den dienst van den levenden God. Ja, daar wordt wel gewezen op de waarde en de beteekenis van het Christendom, ook voor het gansche volksleven. Maar wat wil dat nu zeggen? En is veel wat er gebeurt, niet in lijnrechten strijd daarmee ? Het gesloten houden van de tempeldeuren toch behoeft niet altijd te geschieden door een sleutel of een sluitboom, dat kan op zoo heel veel andere manieren worden gedaan. En zoo gebeurt het thans. En dan denken we er aan, hoe de spot gedreven wordt met de Zondagsheiliging, hoe Gods dag voor alle dingen wordt gebruikt en misbruikt. En dat is maar één voorbeeld. Ook in uw leven zijn er wel. Maar ook dit is het gesloten houden van de deur des tempels. En zoolang die deuren gesloten blijven, zal er van dat herstel en die vernieuwing niets terecht komen.

Neen, die zijn alléén mogelijk langs den weg, die Hizkia gegaan is en die begon met het herstel van den tempeldienst. Maar daarmee was het nog niet uit. Hij heeft bij zich geroepen de priesters en levieten. En tot hen heeft hij een toespraak gericht, die we wel zijn troonrede zouden kunnen noemen en waarin hij zijn voornemen heeft uiteengezet en dat voornemen is samen te vatten in het woord : Het is in mijn hart, een verbond te maken met den Heere, den God Israels.

Hizkia heeft, door Gods Geest geleid, de breuk zijns volks mogen peilen, hij heeft verstaan, waarom de toorn des Heeren op hem lag, doch hij heeft mogen kennen óok de weg, welke moest worden gegaan, wilde die toorn worden afgewend. Alleen langs boete en bekeering is dat mogelijk, en dat wel boete en bekeering van ieder persoonlijk, en daarom priesters en levieten : Het is in mijn hart, een verbond te maken met den Heere.

Het is zijn voornemen en vast besluit den dienst van God te herstellen en te bevorderen, en dat niet alleen voor zichzelf, maar dat voor zijn gansche volk.

Het woord „verbond", dat hier staat, wordt zeker wel gebruikt in navolging van hetgeen God heeft gedaan. Immers daar is in de H. Schrift herhaaldelijk sprake van een verbond.

En als Hizkia deze woorden spreekt, dan is het de Heilige Geest Zelf, Die hem daartoe heeft bereid en aangezet. Want, lezer, voordat een mensch, die van nature toch afkeerig is van God en Zijn dienst, er toe komt om uit te roepen : Ik zal een verbond maken met den Heere — moét eerst in de ontdekking zijn oog er voor geopend zijn geworden, dat hij het eerste verbond met God, zijn Schepper, heeft verbroken en hij daarom geen leven, geen rust en geen zaligheid meer te wachten heeft. Immers dan gaat in het hart leven de droefheid naar God, die werkt een onberouwelijke bekeering tot zaligheid. Dan is daar de goede bodem, waaruit de nieuwe boom groeien kan en dan komt door den Geest der genade de begeerte op in de ziel, een verbond met God te mogen hebben, en nu niet meer in zichzelf, maar in den grooten Middelaar des Verbonds, Jezus Christus, Die door Zijn lijden en sterven zulk een verbond heeft mogelijk gemaakt. En dat is een verbond, dat dus tenslotte niet uitgaat van den mensch, doch van God in den Hemel, Die Zelf den mensch brengt tot het uitroepen: Ik zal een verbond maken met den Heere. En zulk een verbond is mogelijk, omdat Jezus Christus Zijn bloed daartoe heeft uitgestort. Want in dat bloed is van eeuwigheid de vrede tusschen den Verbonds-Jehova en Zijn volk verzekerd en verzegeld. En dat is het, waardoor Hizkia hier zoo spreken kon en waardoor zijn hart geneigd was den Heere te dienen naar Zijn heilig Woord, en dat wel met belijdenis van eigen zonde en schuld.

Hizkia riep het het volk en de priesters toe : Terug tot den dienst des Heeren ; den tempel weer geheiligd en gewijd. Hij riep het tot het volk, maar ook tot de priesters. Wat kan ook de kerk de deuren van den tempel gesloten houden, wanneer de prediking in die kerk gebracht, niet is naar den zin en meening des Geestes!

En daarom, priesters en levieten, ligt hier ook voor u een taak. De Koning wijst den weg, welke gegaan moet worden ! En welk een goede weg is het. Het is de eenige weg om te komen uit de ellende en den nood. En dat geldt voor ieder mensch persoonlijk, maar dat geldt ook voor een volk in zijn geheel. En daarom moeten wij elkander wel toeroepen de woorden van Hizkia. Alleen wanneer ook wij, ons volk en onze Kerk, met waarachtige bekeering des harten terugkeeren tot den dienst des Heeren, de deuren van den tempel wijdopen zetten en een verbond maken met den God van Israël, dan is herstel en vernieuwing mogelijk. Anders niet.

Laat daarom onze bede zijn : Heere, bekwaam Gij door Uwen Geest ons, ons volk en onze regeering daar zelf maar toe en geef dat ook uit ons hart en uit onze mond het woord worde gehoord, dat eenmaal de Vader des Vaderlands sprak : Ik heb met den Heere der Heeren een vast verbond gemaakt. Want dan alleen is het wèl met u persoonlijk, dan alleen is het wèl met het volk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's