De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift

8 minuten leestijd

Zijn wij welingelicht, dan is in het „gesprek" de vraag aan de orde gesteld, hoe men dat verstaat.

Hoe zal men dat verstaan ? Laat mij beginnen met op te merken, dat dit onderwerp ook onder de orthodoxen wel eens nader mag worden bezien en vooral betracht.

De belijdenis der kerk laat ons niet in twijfel over het goddelijk gezag der Heilige Schrift. Voor haar beteekent Heilige Schrift niet maar een van de profane litteratuur onderscheiden boek, zooals dat in verschillende godsdiensten wordt aangetroffen.

Het absoluut karakter der Christelijke religie laat op geenerlei wijze eenige gelijkstelling van den Bijbel met de voor heilig gehouden boeken der heidenen toe. Zij dient zich aan als de ware religie en verklaart alle andere religie voor valsch. Dat oordeel treft vanzelf ook de heidensche boeken.

Nu zou men kunnen zeggen, dat iedere religie zich voor de ware zal houden en op haar beurt absoluut gezag voor haar heilig boek zal opeischen.

Dat schijnt wel zoo en in een wereld, waar de Christelijke religie zegevierde wordt dat mogelijk gemakkelijk aanvaard, omdat men in het Christenland weet van den eenigen en waarachtigen God.

Maar de Godsvoorstellingen van het heidendom zijn niet zoo absoluut. Wij laten den Islam daar, want de Mohammedaansche religie nam niet alleen uit de Joodsche religie over, maar ontstond eerst in de 7e eeuw na Christus. De heidensche religie staat veel meer open voor andere religies en is geneigd tot vermenging.

Het absoluut karakter is daarentegen aan de Christelijke religie eigen. Het is bovendien geen wijsgeerig begrip, maar vrucht van openbaring. De Heilige Schrift kent slechts den eenigen en waarachtigen God, bij Wien de afgoden der heidenen niet zijn te vergelijken. Reeds daardoor onderscheidt zich de Heilige Schrift van de heilige boeken der heidenen. Zij dient zichzelf aan als het Woord van den eenigen God, buiten Wien geen andere God is. En de kerk des Heeren belijdt door het getuigenis des Heiligen Geestes, dat de Heilige Schrift Gods Woord is.

Over dit punt kan de kerk des Heeren dus geen discussie toelaten. De Heilige Schrift Gods Woord is maar niet een axioma of een menschelijke overeenkomst, integendeel, het is voor het geloof evident (op zich zelf klaar en duidelijk) en daarom is de Heilige Schrift, de Godsopenbaring,  principium der theologie. Een theologie, welke dit principium niet aanvaardt, kan reeds uit dien hoofde geen Christelijke theologie zijn. Zij wordt tot een soort wijsbegeerte, een soort natuurlijke theologie, afgezien van de vraag, of die mogelijk is of niet. Of zij wordt een speculatie over de kerkelijke leer en parasiteert dan ten slotte toch weer op hetgeen vrucht is van de christelijke geloofsbezinning.

Zou men alzoo het goddelijk gezag der Heilige Schrift discutabel stellen in het kerkelijk gesprek dan zou dit zich op het terrein der wijsbegeerte en niet op dat van de christelijke theologie bewegen. Zonder geloof kan men geen theoloog zijn. En het ligt voor de hand, dat de kerk van Christus van uit het geloof spreekt en belijdt.

Het kerkelijk standpunt kan en mag geen ander zijn. Zij neemt positie van uit het geloof en als zij de goddelijke autoriteit der Heilige Schrift zou loslaten, zou zij zich zelf ontkerstenen.

Het woord absoluut is in het theologisch spraakgebruik ten onrechte ingeburgerd. Het is een wijsgeerig begrip en beteekent: die geen rekenschap geeft, die volkomen vrij is. Wij spreken dikwijls van de vrijmacht Oods. In de moderne wijsbegeerte nu doet zich de markante neiging voor om zekere Christelijke waarheden in een begrip te verabsoluteeren en wel in de eerste plaats het Godsbegrip. God wordt tot een abstract begrip. Voor zoover men er nog wat bij denkt, wijst het op een andere orde van zijn. Geheel die orde is absoluut en van onze menschelijke werkelijkheid onderscheiden. Eigenlijk kunnen wij daarover niet spreken. Wij zijn in den tijd. Tijd en eeuwigheid zijn absoluut gescheiden, zoo beweert men.

Zoo valt het Godsbegrip geheel samen met het begrip transcendentie en ook dit verkreeg allengs een geheel absoluut karakter. Een onoverschrijdbare scheidslijn wordt tusschen God en de wereld getrokken.

Hoezeer de Heilige Schrift den nadruk legt op Gods boven deze wereld verheven zijn, op Hem, die woont in een ontoegankelijk licht, gaat deze wijsgeerige scheiding toch tegen de leer der Schrift in. Zij is geheel in strijd met de leer der schepping en onderhouding.

Het Bijbelsch Theïsme leert wel, dat God wezenlijk onderscheiden is van de wereld,  maar daarom niet gescheiden.

Parallel aan deze verabsoluteering van het Godsbegrip loopt het streven van het personalisme, dat gericht is op de vrijheid en zelfbeschikking van den mensch. De strijd tegen het immanentisme (God in de wereld inwonende) verkrijgt in zeker opzicht een geraffineerd karakter. Hegel leerde een volkomen, pantheïsme. God en wereld zijn één. Alle dingen en alles wat zich aan ons voordoet werd beschouwd als verschijningsvorm der godheid. Ook de mensch. De mensch verschijningsvorm van God. En in zijn hoogste ontwikkeling zou hij zich daarvan bewust worden, willens en wetens God zijn.

De verderfelijke invloed van deze philosophic heeft zich in het moderne cultuurleven op ontstellende wijze geopenbaard en heeft den weg bereid voor een naturalisme, dat alle geestelijk en zedelijk gezag ondermijnend tot een schier algemeene ontkenning van, althans onverschilligheid tegenover God en Zijn geboden heeft geleid. De laatste resten van deze uitgeholde cultuur vielen ten prooi van de laagste instincten en hartstochten, die oplaaiden tot een georganiseerde machtswellust, welke na jaren van geweld en tyrannic de wereld overstelpten met ellende en haar nalieten in de schrikbarende verwarring, waarin zij verkeert.

Gelukkig ontbreekt het niet aan reactie tegen den geest van de negentiende eeuw. Doch de verabsoluteering van het Godsbegrip en de daaraan gepaard gaande scheiding tusschen God en wereld, ontledigen dit ondermaansche bestaan van Gods tegenwoordigheid en kracht. De mensch staat in deze wereld alleen in de worsteling om zijn afhankelijkheid te boven en tot zichzelf te komen. Hij wil zijn leven in eigen hand nemen en een beschikker zijn van zijn lot. Zoo heeft hij God een boven de wereld verheven rijk toegekend, om het rijk der wereld voor zich zelf te behouden.

Helaas, biedt de nieuwe theologie dit personalisme de hand, als zij weigert het goddelijk gezag der Heilige Schrift te erkennen. Zij maakt den mensch vrij zelfs tegenover de Heilige Schrift.

Dientengevolge kan ook de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift discutabel worden gesteld. Het teekent alzoo de situatie, dat men dit onderwerp aan de orde stelt in het z.g. kerkelijk gesprek terwijl de Synode aan de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift gebonden werd.

Men zou zoo zeggen, dat al het werk van de Synode een duidelijk bewijs moet leveren van wat dat beteekent en dat zij het ook van al haar commissies en raden moest eischen.

Welke reden kan er toch voor de Synode zijn om de Heilige Schrift niet voor Gods Woord te houden ?

Indien zij dat niet doet, kan zij eigenlijk geen Synode zijn, want de Synode is de hoogste vergadering der Kerk, de Generale Kerkeraad. En de Kerk staat of valt met dit allervoornaamste stuk der belijdenis, zijnde het fundament der apostelen en profeten, waarvan Christus is de Hoeksteen.

En gelijk die belijdenis een stuk des geloofs is, is ook de gehoorzaamheid aan Gods Woord in dat geloof geworteld.

Het is bekend, dat er ook in de Kerk menschen zijn, die dat geloof niet hebben, maar dezulken kunnen uit het geloof niet spreken. In zooverre geldt het hier werkelijk dingen, die van andere orde zijn, n.l. die des Geestes Gods zijn en die ook geestelijk onderscheiden worden.

Wat wil men dan met dat gesprek ? Wil men deze menschen overtuigen? Dat zal niet gaan. Men kan evenmin theoretisch bewijzen, dat de Bijbel Gods Woord is, dan wel, dat de Bijbel niet Gods Woord is.

Daaraan behoeft men niet te beginnen. Men spreekt tegenwoordig veel over bewogenheid, maar dat kan dan, wil het goed zijn, niet anders wezen dan een bewogenheid aangaande degenen, die den zegen van het zaligmakend geloof in den Christus der Schriften missen. Die bewogenheid vinden wij bij Paulus, als hij tot Agrippa zegt: „Ik wenschte wel van God, dat gij waart, zooals ik ben, uitgenomen deze banden".

Maar dat moet dan toch een bewogenheid zijn uit hetzelfde geloof van den apostel. Paulus geloofde de profeten en attendeerde daarop. Ook ageert men in onze dagen tegen leergeloof en confessionalisme.

Dat is gericht tegen de orthodoxen, en er is leergeloof. De orthodoxie zal dat niet ontkennen en heeft ook zelf noodig tot levend geloof te worden gewekt.

Maar dat beteekent niet, dat de leer verwerpelijk en de confessie niet uit het leven der Kerk zou zijn. Integendeel zal het waarachtig geldof dat telkens weer in de confessie ontdekken, en het Schrlftgeloof in haar terugvinden als een levend getuigenis der Kerk in haar strijd temidden van een wereld, die tegen haar is.

Een kerkelijk gesprek moet beginnen met kerkelijk te zijn, en zich bewegen in het geloof der Kerk om van dat geloof te getuigen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's