De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Het goud van Scheba

6 minuten leestijd

. . . . . . en men zal Hem geven van het goud van Scheba. Psalm 72 vs. 15b.

Méér dan Salomo is hier — zoo moeten we wel uitroepen, als we Psalm 72 lezen. Het is een gebed, uitgesproken bij de ambtsaanvaarding van Israels' nieuwen koning. Een koning, die van rechtswege het koningschap bezit bij de gratie Gods. Hij is geen geweldenaar, die zich de macht en eer heeft aangematigd, die zichzelf de kroon heeft opgezet —neen, hij is van koninklijken bloede.

En voor dien koning wordt gebeden, dat zijn rijk een rijk van gerechtigheid, vrede en heerlijkheid zijn zal, waarin de wijsheid zal regeeren en de liefde zal heerschen. Een rijk, waarin het lijden zal zijn weggenomen en de verdrukking te niet gedaan, waarin het heil aan de armen wordt gegeven en verlossing het deel zal zijn van allen, die er om bidden.

Het gebied van dien koning zal zich uitstrekken tot het einde der aarde. In zijn naam zal het heil der volkeren besloten liggen.

Nu staat het wel vast, dat de schrijver oorspronkelijk aan een aardschen koning heeft gedacht. De overlevering spreekt ons zelfs van Salomo, voor wien deze beden zijn opgezonden bij het beklimmen van den troon. Maar toch treedt voor het zielsoog van den dichter het beeld van een anderen koning. En zijn lied bezingt meer dan een aardschen vorst. Wat hier gezegd wordt, is in Christus in heerlijke vervulling gegaan. Dezen Koning zal men, van het goud van Scheba geven.

Hij zal vereerd worden met geschenken, en daar is reden voor. Zijn regeering zal dragen het kenmerk van het recht en de gerechtigheid Gods en Zijn heerschappij zal geen einde hebben. Als we ons dan afvragen, waaraan deze Koning zijn wereldregiment te danken heeft, dan geeft deze Psalm het meest wonderlijke antwoord. Maar dat antwoord toont ons tevens een diep inzicht in den aard en het karakter van diens regeering. Niet aan kracht  en geweld zal hij het alles te danken hebben. Neen, dit wereldrijk zal worden opgebouwd op het fundament van nederbuigende en ontfermende liefde. Deze koning zal zijn werkzaamheid uitstrekken tot armen en verdrukten, tot hen, die om hulp roepen en tot wie niemand zich wendt, dan Hij alleen. Het is vooral dit nederbuigen tot het kleine en zwakke, wat Hem zoo aanbiddelijk maakt. Het is juist dat redden van den hulpelooze en verdrukte, dat Hem zoo vorstelijk doet zijn. In Hem is het erbarmen over armen en behoeftigen, die Hij met heil komt te verzadigen. Vandaar dat. hier de verlossing der ziel wordt uitgedrukt uit alle druk en geweld.

En wie zou zulk een vorst niet eerbiedigen, die de nooddruftigen onder zijn bizondere bescherming neemt en die er voor instaat om ten allen tijd hun Bevrijder te zijn. Hij doet ze hun nooddruft kennen, opdat zij worden uitgedreven om tot Hem te roepen. Dan is afgedaan m'et fraaie zinnen en een doordachte, woordkeus, dan uit men zich in zuchten. En zulk schreien gaat den hemel niet voorbij.

God helpt hen, die zichzelven helpen, zoo wordt het de wereld meestal voorgehouden. En niets is minder waar. Want de van Israels' God gegeven Koning komt juist hen te hulp, die zichzelf niet kunnen helpen en evenmin steun kunnen vinden bij anderen. Het zijn juist hulpeloozen, tot wie Zijn koninklijke zorg uitgaat. Zal dan een verslagen hart dezen Vorst niet leeren prijzen ?

Maar nog is Zijn werkzaamheid niet uitgeput. Hij komt niet slechts te redden. Hij blijft ook bewaren. Hun zielen zal Hij van list en geweld bevrijden. Wat worden de zielen aangevallen. Welke pogingen worden niet aangewend om hen te benauwen. Wet en wetteloosheid zijn bestrijdingswapenen van den Booze. Het wild gedierte spant samen om de schapen uit de kudde weg te rukken. Maar deze Herder-Koning zal niet toelaten, dat ook maar één van Zijn lammeren zal worden weggenomen. De poorten der hel zullen Zijn gemeente niet overweldigen.

Wie zal die hoogste Majesteit dan niet met eerbied prijzen ?

Vandaar ook dat wij lezen : En men zal Hem geven van het goud van Scheba. Goud past bij de koningen. En onder goud verstaat de Heilige Schrift alles wat kostelijk en heerlijk is. Wanneer nu één koning, dan bezat Salomo goud, omdat het hem van alle kant werd toegevoerd. Immers de koningin van Scheba alleen al heeft hem daar rijkelijk mee begiftigd. Doch hoeveel rijker wordt dit Schriftwoord als het wordt toegepast op Christus Jezus ! Ook Hem wordt als den Koning zijner kerk het goud toegevoerd uit Scheba.

En wilt ge nu weten, wat dat goud dan is? Wel daar is er een, die met een verbroken, hart en verslagen geest zich tot den Heere wendt om uitkomst. Dat is goud, dat den Heere Jezus gegeven wordt. Daar is er een, die bij ontdekkend Geesteslicht een gezicht kreeg op zijn zondig bestaan en nu uit de diepte schreit tot God omhoog. Dat is goud, kostelijk goud uit Scheba, hetwelk Immanuël wordt toegebracht.

Ook dan, als er oog gekregen wordt voor het alles reinigende bloed van den Middelaar en, het hart ontvlamt in liefde tot Hem en er beleden wordt: wij hebben lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad, dan is dat eveneens het toevoeren van goud aan dien Hemelschen Salomo. Het is goud uit Scheba.

Welk land hiermee bedoeld is, weten we niet precies. Maar Scheba was de kleinzoon van Cham, den vervloekte. Daarom ook is dit woord zoo rijk; omdat het ons zegt, dat de Heere zich lof bereiden komt uit een verdorven menschengeslacht, dat vervloekt is vanwege de zonde. En nu is er bij alle overeenkomst tusschen dien eersten Salomo en dien Meerderen dan ook dit verschil, dat aan den aardschen vorst gegeven werd het goud, dat van anderen tot hem kwam, terwijl het goud, dat den Heere Jezus wordt opgedragen, datgene is, wat Hij zelf heeft gewrocht.

De groote zaak, waar het voor ons nu op aankomt is, of wij vorst Messias reeds met goud vereeren. O neen, in onszelf hebben we het niet. Maar daarom is het zoo groot, dat nog steeds de noodigende stem des Heeren uitgaat: „Ik raad u, dat ge van Mij koopt goud !" En bij deze koop hebben we niets mee te brengen. We mogen en moeten komen zooals wij zijn.

Gelukkig, die van dat goud hebben mag. Dat weet ge, als in uw leven blijkt, dat ge den Heere toebehoort. Een boom toch wordt aan zijn vrucht gekend. Geve de Heere u dan maar steeds de genade om Hem toe te brengen dat kostelijke goud, waardoor Zijn Naam verheerlijkt wordt en dat voor de ziel zoo zalig is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's