Schriftverklaring
De Galatenbrief (1)
Als één ding in het huidig kerkelijk bestel en leven een ieder van, ons duidelijk is kunnen worden, dan is het wel dit : dat wij terug hebben te keeren tot Schrift en Belijdenis. „Het kerkelijk gesprek" — men moge daarover denken, gelijk men wil —, zal zich steeds hebben te laten leiden binnen het raam der Schriftuur; terwijl als Gids Gods Heilige Geest van noode is.
Het ligt niet in mijn bedoeling om het kerkelijk gesprek door een serie eenvoudige Schrift-verklaringen te beïnvloeden. Het zou natuurlijk verheugend zijn, wanneer zoo nu en dan, ook buiten de eigenlijke lezerskring, de aandacht er op vallen mocht. Dit dient inmiddels afgewacht. Over het geheel behoeft men op dit punt niet te optimistisch gestemd te zijn.
Op een enkele uitzondering na, komt geen enkele uitgesproken-gereformeerde in onze Ned. Hervormde kerk aan bod in de synodaal-geleide, kerkelijke bladen van dezen tijd. Wel bij wijze van „Ingezonden, bijdrage" desnoods. In zooverre kan men een mensch dan toch niet geheel negeeren. Maar, overigens, non tali auxilio ; van de waarlijk-gereformeerden moet men (nóg) niet (helaas !) veel hebben.
Dr. Noordmans heeft zeer onlangs in een artikel („In de Waagschaal", jaarg. 1, no. 46—47) het uitgesproken, van welk een uniek karakter de gereformeerde belijdenis, en met name de leer van Johannes Calvijn geacht dient te worden. Deze is, a.h.w., voor geen „aanvullingen" (dr. Den Hartog's pogingen van „Noodzakelijke aanvullingen! op Calvijn's Institutie ten spijt!), en verbeteringen vatbaar. Calvijn's conceptie is zoo grootsch en geniaal, dat ze hoogstens herhaald kan worden ; ja, ook zulk een herhaling acht dr. N. „nauwelijks mogelijk".
Leidinggevende personen in onze Kerk en daarbuiten mogen deze woorden wel eens behartigen. Een Barthiaansche verbetering der gereformeerde leer achten we dan ook geen verbetering, maar veeleer een verslechtering. Evenzoo menige opvatting van het neo-Calvinisme, onder invloed van dr. Kuyper Sr. Het unieke karakter der gereformeerde waarheid sta voor ons onaanrandbaar. Laat ds. Timmer, met geheel ons Hoofdbestuur, en al de predikanten, die nog wenschen te leven en te prediken naar Schrift en Belijdenis, „de wacht betrekken" bij deze Belijdenis, ons van de vaderen overgeleverd.
Niet, omdat ze „oud" is. De ketterij is haast even oud, als de waarheid. Maar omdat nog altijd moet worden aangetoond, dat de gereformeerde belijdenis strijdig is met het onfeilbaar Woord van onzen God. En natuurlijk, wanneer men de onfeilbaarheid der Schriftuur niet wenscht te aanvaarden, — het spreekf vanzelf — dan kan men ook niet de waarheid der gereformeerde belijdenis erkennen. Dan kan men blijven toornen, : Gij méént de waarheid te hebben. In zulke kringen spreekt men liever van „de openbaring der verborgenheid", waarbij — o, wonder ! —, deze openbaring zélf ook weer in het verborgene verdwijnt.
Het zal wel aller instemming oogsten, wanneer opgemerkt wordt, dat intusschen met een „naakte kennis" (om in Calvijn's woorden te spreken) niet kan worden volstaan. Dat léért ons juist de gereformeerde waarheid, en meer nog : dat leert ons juist Gods Heilig Woord ! Het is voor sommigen, onder voorgangers en bij gemeenteleden, wel eens te vreezen, dat ze met de gereformeerde letter zich reeds in bezit van de waarheid wanen. Ten diepste kan Gods waarheid en de waarheid der daarin gefundeerde belijdenisschriften alleen door ons zuiver gekend worden, wanneer we zijn wederomgeboren uit het Woord der Waarheid, in gemeenschap met Christus, door Zijnen Heiligen Geest!
Het dunkt me niet overbodig, wanneer nu — naast en na de Meditatie — in „De Waarheidsvriend" een bescheiden plaatsje wordt ingeruimd voor een eenvoudige Schrift-verklaring. Hebben we die dan nog niet té-óver? Hebben we niet, reeds op J.V. en M.V., onze Matthew Henry, Stock—Renkema, complete Calvijn, enz., enz.? Inderdaad. Ook daaruit zal veel te leeren en daarin veel te vinden zijn,
't Moge z'n nut intusschen hebben, en daartoe zegen afwerpen, om samen dezen schoonen Galaten-brief te gaan lezen en naar haar inhoud en boodschap te peilen. Legt er uw uitlegging van Calvijn, of van Luther, of — om een nieuweren te noemen — van Greijdanus maar naast! Voor het recht verstaan der Belijdenis, en het recht voor-staan van de waarheid, heeft ook „De Waarheidsvriend", en elk lezer daarvan, noodig op Gods leerschool, uit Zijn Woord, bij het Licht van Zijn Geest onderwezen te worden in de schatten, voor ons natuurlijk oog : verborgen !, van het Koninkrijk der hemelen.
Ondergeteekende is in dezen slechts gids, die den weg moge wijzen. Want, als een blinde den blinde leidt, ach, wat dan? Daarom hebben lezers en uitlegger Gods Waarheid (Psalm 43) noodig! „In uw Licht zien wij het Licht !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's