De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Financiën

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Financiën

6 minuten leestijd

Postgiro 138421

Daar waren twee zusters — eigenlijk ben ik bezig met een enkele harer verwanten voorbij te gaan — misschien dat ik u straks zelf nog verklappen ga, hoe deze heette — die twee zusters waren inderdaad heel nauw aan elkander verbonden. Zij hadden beide den Heere even lief. Ge zult dit dadelijik zelf wel kunnen opmerken : de Heere toefde gaarne onder haar dak. 't Was een feestdag, als Hij inkwam en Zich nederzette in dezen kring, en toch was het gedrag van deze twee grootelijks verschillend. Als Hij zijn zetel innam, zette de eene zich aan Zijne voeten. Hij kwam tot haar en de haren. Hij deelde toch uit van Zijne schatten. Hij kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen, m. a. w. zij zou niet weten, op welke wijze zij beter kon weergeven wat zij van den Heere verwachtte. Hij komt voor mij, om van Zijn rijke schatten uit te deelen op een Koninklijke wijze. Zoo ziet gij het ook, lezer, die door den Heere zelf onderwezen werd. Ik kan Hem nooit iets geven. Omgekeerd wordt Hij naar waarde geschat, als ik tot Hem mag opzien.

Zoo voelde Maria het aan — en — daarin had zij geheel gelijk, wat straks ook zal blijken uit wat de iHeere Zelf opmerkt.

Zij heeft het goede deel gekozen. Maar nu haar zusters gang een weinig belicht. Deze heeft den Heere nauwelijiks vanuit de verte opgemerkt, of zij is bezig met wat zij Hem zal voorzetten. Waarmede zal ik den Heere tegenkomen, waarmede kan ik Hem dienen ? Het allerbeste is nog niet goed genoeg, het meest kostbare nog te gering.

Daar is bij u, die dit leest, eenzelfde gewaarwording. Als ik den Heere iets zal voorzetten, zoo is het altijd te klein, altijd te gering. Zoo is het ook te verstaan, dat deze nijvere zuster zich ergert aan hare zuster, haar niet kan zien zitten aan 's Heeren voeten, of zij gevoelt zich een weinig ontstemd. Zij wil alles geven aan den Heere. Hem  voorzetten het beste van haar huis, het kostelijkste van haar bezit, terwijl Maria daar stillekens nederzit. Dat is voor haar iets onbegrijpelijks; vandaar dat zij den Heere in deze te hulp roept. Heere, zegt eens tegen mijn zuster, dat zij mij helpt. Ik kan niet alles alléén verrichten.

Ge weet het antwoord, iets, wat verder doorklinkt dan tusschen de wanden van het huis van Lazarus en zijn zusters.

Gij, Martha — en ik herhaal deze naam nog eens — Martha, Martha, gij bekommert u en verontrust u over vele dingen ; één ding is maar noodig. En dat ééne is : dat gij u van Mij laat bedienen. Een Vorst geeft alleen, een koning heeft enkel het gebod uit te vaardigen, en wat er van noode is, is tegelijk aanwezig. Ziet hier de leerschool, waarop telkens Gods kinderen gewezen dienen te worden. Wij hebben dat ééne noodige telkens ons zelf voor oogen te stellen.

Die stilte, in alle eenvoud zich op den achtergrond terugtrekkend, heeft het goede deel, d.i. de juiste plaats, gekozen. Zij ontvangt, zij heeft de meest dure belofte zich zien aangewezen : dit zal u nooit en te nimmer afhandig worden gemaakt.

Heerlijk, zoo bepaald te worden bij het door ons ingenomen plekske : Hij onderricht me. Hij weet wat ik van noode heb. Niet het groote is van ons, maar komt van Godes hand. En dan is het best mogelijk dat wat wij eerst als iets kleins voorbij liepen, juist het groote inheeft. Zoo ging het mij ook. Ik had een en ander maal handen te weinig om de verschillende posten te rangschikken, het liep volgens het zeggen van onze dagen — „het liep aan de loopende band". Maar dat was nu voorbij. Ik wachtte ééne keer, nog eens uitgezien, maar verandering ten goede — zooals ik 't wilde — bleef uit. Ziet toen zette ik me neder en liet volgen wat er inkwam.

1. Het begin was echt een dankoffer, 't Meest klare blijk van dit luidde : ,,door der tijden nood was ik niet meer in staat èn om de contribuitie te geven voor 't lidmaatschap èn om de Waarheidsvriend te ontvangen. Nu is door Gods goedheid hierin een gunstige wijziging gebracht. Ziet hier een tientje. 't Kwam uit A. M. v. A. luidde de onderteekening. 

2. Vanuit den kring onzer vrienden te Amstelveen was ook onze fondsen een gift toegedacht van 10 gulden. De penningmeester van de afdeeling aldaar was zpo goed mij deze af te dragen. Onze hartelijke dank.

3. Onze vriend, collega B. te Z.-Beijerland, zendt mij maandelijks 5 gld. Deze keer heeft hij er nog een maand aan toegevoegd. Alzoo kwam ook van hier weer ƒ 10.—

4. Onze vriend, collega Oostenbrug te Vlaardingen, zond mij enkele giften, welke bij hem ingekomen waren, in eene som, n.l. ƒ 12.— Onze Vlaardingsche vrienden wordt van hier onze dank geweten.

5. In den Achterhoek, zoowel van Gelderland als van Overijsel, hebben wij tal van  vrienden, die gedurig weer blijk geven dat zij met ons meeleven. Zoo zond de heer K. D. mij 25 gld. Hoogst erkentelijk zijn wij voor zulke ondubbelzinnige blijken van meeleven.

6. 't Is eigenaardig. In gemeenten, waarin jaren lang is gewerkt in de richting van den Geref. Bond, wordt de opmerking gemaakt, in die donkere, zwarte tijden, toen wij niet tezamen konden komen, is onze kas niet verstevigd. Alzoo, houd mij verontschuldigd. Hier doet zich een geval voor, dat iemand, nl. de heer L., mij schrijft : in 1943, 1944, 1945, 1946, geen contributie. Nu vat ik deze posten tezamen : hier heeft u 20 gld. Ziet, daar voel ilk mij klein bij.

7. N.N. te Rotterdam zond mij voor het Studiefonds ƒ 2.50

8. Collega, ds. Anker te Goudswaard en Otterloo, heeft ook voor onze fondsen gecollecteerd. Deze collecte bedroeg ruim 60 gld., n.l. ƒ 61.25 Wij vinden het prachtig. Gods rijke zegen volge hierop.

9. Van enkele plaatsen werden mij de contributiegelden reeds toegezonden, n.l. van Hazerswoude en van Amsterdam. Van Hazerswoude bedroeg deze ƒ 36.—

10. en van Amsterdam ƒ 62.14

'k Weet als penningmeester, wat hieraan vooraf gaat. Deze inningen verloopen goed, als wij actieve menschen tot onzen dienst hebben. Beide, èn de penningmeester èn de leden mogen zich verzekerd houden van mijn oprechten dank.

11. Van den heer J. C. P. te Weesp ontving ik een tientje, 'k Zeg hem zeer vriendelijk dank voor 't mij toegezondene. ƒ 10.—

12. Van den heer L. P. G. werd mij eenrijksdaalder overgemaakt voor het Studiefonds. 

13. Van onzen wakkeren secretaris werd me een briefje ter hand gesteld van een weduwe uit Rotterdam, waaruit mij ten duidelijkste bleek, hoe warm zulke eenvoudige lezeressen meeleven in alles. Zij had in haar briefje een gulden ingesloten. ,,Wij voegen onzen dank er bij. 

14. Zooeven noemde ik de naam van onzen secretaris, ds. Timmer. Hij heeft een praatavond gehouden te Veenendaal, wat tengevolge had, dat men zijn optreden aldaar zoo naar waarde schatte dat men mij verzocht ook in deze weinige woorden de algemeene waardeering te uiten. Als klein blijk hiervan voor onze fondsen gewerd mij de som van 120 gld. Tezaamgeteld kom ik tot een eindsom van

f 382.39

Gode in alles bevolen. 

Ds. J. GOSLINGA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Financiën

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's