MEDITATIE
Hij komt
Zie, uw Koning zal u komen. Zacharia 9 vs. 9.
Wij zijn weer in de adventsweken. Advent beteekent komst. Wij gaan gedenken de komst des Heeren. Dat de Messias gekomen is, dat Hij nog komt in woord en sacrament, door den Geest ; dat Hij wederkomen zal in heerlijkheid. Wanneer aan Sion de komst van haar Koning aangekondigd wordt, dan zal zeker geen lezer vragen, welke Koning bedoeld wordt. Immers de meening, dat de profeet hier op een aardschen vorst als een behouder het oog gericht heeft, vindt bij hem geen ingang.
Neen, zoo wij het geheele verband niet onverstaanbaar willen maken, kunnen wij aan geen ander denken dan aan den langbeloofden Messias, naar Wien de blikken der vaderen vol verlangen uitzagen.
Vreemd is hier de plotselinge verheffing van den profeet wel, doch èn bij hem èn bij anderen is zij toch niet geheel ongewoon. Het stemt immers overeen met het woord van Jasaja : Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet hooren ; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet hooren, desgenen die tot Sion zegt: uw God is Koning. Evenals daar, gaf ook hier de toebrenging der volken, de gelijkstelling der heidenen, daartoe aanleiding. In de ooren zijner tijdgenooten klonk deze voorzegging zeker vreemd. Want zóó verwachtten zij den Koning niet. Toch was zulk een komen, als de profeet hier voorspelde, een reden tot verheuging, tot blijdschap voor Sion, want juist dat geringe en onaanzienlijke voor de wereld, dat verachte, was bij God uitverkoren en dierbaar. En dat kwam aan het licht, wanneer ook de Koning der koningen zoo arm en onaanzienlijk kwam. Maar die verheuging strekte zich nog verder uit. Hem toch zouden de volken gehoorzamen. En daarom komt die blijde mare ook tot ons, en wordt ook ons gegeven de blijde verwachting van de naderende komst des Konings. Ziet, uw Koning zal u komen. Zoo werd der dochter Sions toegeroepen. Zoo werd zij verblijd met de toekomst, toen de vernieuwing van stad en tempel niet dan onder de grootste moeilijkheden en tegenstand plaats vond. Haar Koning zou komen op den stoel Davids en de allergrootste behoeften van Zijn volk vervullen.
Maar Hij zou komen naar het raadsbesluit Gods en niet naar de begeerte der menschen. Hij zou niet komen als een overweldiger, maar als een Redder, een Heiland. Hij zou niet komen in weelde en met wellusten, maar in armoede en met smarten. Wel zou Hij inderdaad een Koning zijn, maar toch ook evenzeer beantwoorden aan het beeld van den Man van smarten, wiens striemen, wonden en builen genezing zouden werken. In armoede zal uw Koning komen.
De maagd van Bethlehem had niet om het offer te brengen, maar toch wordt de uit haar geborene Gods Zoon genaamd.
Wel zal een schamele stal Zijn woning wezen en een voederbak der dieren Zijn wieg, maar toch zullen uit het verre Oosten de vragers komen : Waar is de geboren Koning der Joden ? Wel zullen de menschen Hem verachten en verguizen, maar toch zullen de engelen de blijde tijding Zijner komst doen hooren en in Gods welbehagen Zijne eere bezingen.
Wel zal Hij zonder plaats om Zijn hoofd rustig neer te leggen, rondzwerven, maar toch zal Zijne Koningswaardigheid Hem niet worden ontnomen. Wel zullen de verstomde Hosanna's eenmaal van de wuftheid en veranderlijkheid der kinderen Sions getuigen en zal de komende Koning wéenen over Jeruzalem en hare kinderen; wel zal Hij het der dochter Sions met klagelijken weemoed toeroepen : Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gij hebt niét gewild, maar toch zal het haar eenmaal op vreeselijke wijze worden herinnerd, dat toch aan het kruis Zijn Koningschap is erkend geworden, eene erkentenis, die van de heidenen is uitgegaan. Uw Koning zal tot u komen, zoo heet het bij den profeet, maar Hij zal komen in armoede. En toch, welke ook in dat lichaam Zijn toestand zij : al mag Zijne Koningsheerlijkheid voor een tijd verborgen wezen. Hij is inderdaad een Koning, die Zijne heerlijkheid zal openbaren en die ook Zijn heil zal doen kennen aan velen van het Oosten en van het Westen, Wien door God daarvoor de oogen geopend zijn.
Werd door deze boodschap van den profeet tot vreugde over de komst van den Koning opgewekt, het woord, tot de dochter van Sion gericht, verloor daarmede zijn blijvende waarde niet. Immers, wat voor het volk Gods in het verleden gold, dat geldt voor dat volk ook heden nog. De beloofde Koning kwam. Den blijden dag Zijner geboorte gaan wij steeds meer tegen. Meer en meer zullen wij, als het goed met ons is, gestemd worden tot vreugde. Hoe donkerder het rondom ons is, des te lichter moet het in ons binnenste worden. Zie, uw Koning zal u komen, wordt ons nog telkens toegeroepen. Want, gelijk Hij eenmaal gekomen is in het vleesch, zoo moet Hij gedurig weder komen in den Geest ; en gelijk Hij geboren is in Bethlehem, zoo moet Hij telkens weer geboren worden in onze zielen. Hij moet in ons gestaltenis verkrijgen.
Daarom wordt het ons toegeroepen, omdat Hij komen wil met genade in den Geest : Zijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Zijn kroon is niet van kostbare parelen voorzien. Geen fluweelen of satijnen kleederen sieren Hem ; geen goud en zilver wordt door Hem met milde handen uitgedeeld ; geen kostbare scepter doet Zijne heerlijkheid kennen; maar Zijn doornenkroon voorspelt den burgers van Zijn rijk een kroon der eere, een kroon der rechtvaardigheid, de burgerkroon van den heerlijken hemel. Zijn mantel wijst heen naar het blinkende en onbesmette kleed der gerechtigheid. Zijn scepter naar de lichte last en het niet zware juk der Zijnen, naar den ijzelen staf, waarmede Hij de goddeloozen zal weiden. En wat deze Koning uitdeelt, is kostelijker dan goud, dan veel fijn goud. 't Is leven, waar, eeuwig, onverderfelijk leven. Het is de genadegifte Gods, die tegenover de verdiende bezoldiging der zonde staat.
Hij komt, de ware beelddrager des Vaders ; en verheugt u, want Hij komt niet om der menschen zielen te verderven, maar om die te behouden. Hij komt tot dezulken, die verloren zijn, om hen uit dit leven des verderfs te trekken. Hij, komt als een genadig Koning in den overvloed Zijner liefde, om genade vóór recht te laten gelden. Hij komt als de Vredevorst, om in de harten der onrustigen vrede uit te storten, om den naar den levenden God smachtenden uit den overvloed Zijner barmhartigheid genade voor genade te schenken, om aan afgedwaalden rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing te schenken, ze alzoo tot kinderen van God te maken en ze te brengen tot dat Koninkrijk, dat voor de Zijnen een vervulling aller behoeften is.
Zoo staat Hij aan die deur en klopt. Hij komt. O, dat wij niet weigeren te ontvangen Hem, Die ons brengt het eenige, wat wij noodig hebben en ook niet missen kunnen, zoo wij, niet aan de verderfenis willen ten prooi worden. Hij komt ook nu nog tot u met genade in den Geest.
Ziet, uw Koning zal komen. Daaraan valt niet te twijfelen, want Zijne woorden zijn ja en amen, maar weten wij: ook met zekerheid, dat Hij nog lang komen zal met genade voor ons ? Zal de dag der zaligheid, de welaangename tijd, voor ons nog lang zijn, of zal misschien het vonnis van Adam ook ons spoedig treffen ?
Uw Koning zal komen. Zoo Hij voor u thans niet komt, dan moogt ge wel met te meer ernst uw blik op de toekomst richten. Want eenmaal zal er een ure slaan, dat Hij wederkomt, zooals Zijn discipelen Hem op den Olijfberg zagen weggaan. Hij zal komen, de Zoon des menschen, op de wolken des hemels. Gelijk de profeet Hem zag naderen tot den Oude van dagen. Hij zal komen er bazuingeschal zal Hem voorgaan, en bloed en rook en vuurdamp. De hemelen zullen opgerold worden als een doek, de elementen zullen ontbranden en de heerlijkheid des Vaders en de heerlijkheid der engelen zullen aanschouwd worden in dien dag. Dan zal Hij komen, de Koning van het nieuwe Jeruzalem, de stad, van louter goud en edelgesteenten blinkend. Dan zal ook de wierookdamp van de gebeden der ware heiligen Hem omringen, dodh dan komt Hij niet meer met genade, maar met recht en gerechtigheid, om te oordeelen de levenden en de dooden. En dan zal het goede dergenen, die Hem met blijdschap in hun hart ontvingen, verzinken bij de groote genade, waardoor zij deelgenooten worden van de vreugde en heerlijkheid des onverderfelijken Konings, terwijl dan ook 't kwade zal openbaar worden, wanneer Hij de boeken opent.
Dan zal de komst van den Koning de laatste zegen zijn voor degenen, die Hij als gezegenden des Vaders begroet, dien Hij het Koninkrijk, hun van voor de grondlegging der wereld bereid, doet beërven, maar Zijn komst zal ook de laatste zijn voor degenen, die Hem niet ontvingen in den tijd der genade. Dan zal het wezen : Bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons, maar den toorn des Rechters zullen zij niet kunnen ontgaan, die hen, aan Zijne linkerhand geplaatst, verwijzen zal naar het helsche vuur, dat den duivel en zijnen engelen bereid is.
Is de komst van Sions Koning in het vleesch u reeds een oorzaak van zalige blijdschap geworden, lezer of lezeres ?
Ik ben nooddruftig, arm en naakt; O God, mijn Helper uit ellenden, Haast U tot mij, wil bijstand zenden : Uw komst is 't, , die mijn heil volmaakt.
(Hellouw)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's