Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina
30)
Mandel had zichzelf zóó beladen, dat het niet erger kon, om ook van de bagage van zijn schoonouders nog iets te kunnen dragen. Hij liep met Rea achteraan in den stoet. Daar hoorde hen niemand, en het verwekte dus ook bij niemand eenigen aanstoot, als hij de rouwgebruiken eenigszins verbrak door een grapje aan het adres van Rea, om haar wat te bemoedigen. Zij verheugde zich over alles, wat zij zag, ze prees het goede en merkte het nare niet op, en zag met verlangen uit naar dat wat de dag verder brengen zou. Het geluk straalde weer door de schemering van het leed op haar gelaat heen. Zij dachten allebei, dat zij toch een bijzonder ouderpaar waren, maar zij zeiden dat tegen elkander niet. Alles was met den kleinen Schimmel anders gegaan dan met ieder ander kind, als het ziek wordt en sterft, en toch had hij een eer ontvangen boven alle maat en boven alle verdienste. Deze eer, die hij ontvangen had, dekte als een gewaad, dat breed in wijde plooien uithing, zijn heele lijdensgeschiedenis dicht. Nu zou het dan genoeg zijn ! Rea was vast voornemens met en voor Mandel nu gelukkig te zijn. Zij zou beproeven, den zoon van haar hart te vergeten. Hij was met een korten adem op de wereld gekomen, haar en Mandel zou echter de langere adem, een lang leven, ver over zijn korte levenslot heenvoeren, en hen met het lot van Israël samenweven. In de donkere diepten van haar oogen richtte de eerst verdwenen vreugde zich weer op, en zag over den weg. Alles scheen haar toe te lachen.
Toen dit Mandel voor het eerst duidelijlk werd, vergoot hij, verborgen achter den grooten zak, dien hij op zijn nek droeg, de tranen, welke de dood van het kind hem te midden van al zijn geroerdheid niet had kunnen uitpersen, en vanaf dit oogenblik was het, alsof hij op springveeren liep. Toen Rea hem haar veel kleiner pakje niet ook nog wou afgeven, liet hij het gevoel van zijn kracht den ezel ten goede komen, die naast hem liep te hijgen en nam een groot pak van den haak aan diens riem.
Mandel's vader en de kleine Chaim liepen vlak voor hen. De koopman was stom en verdrietig en had van het pakket, dat hij op zijn rug droeg, een stuk pakpapier zóó over zijn hoofd gelegd, dat niemand zijn nog altijd gezwollen en mismaakt gelaat kon zien. Chaim dreef zijn Tempeliersezel met stokslagen voort en rookte daar cigaretten bij, die hij nog aan den geslaagden handel te danken had. Mandel riep hem toe, dat hij het dier niet zoo moest plagen en slecht behandelen, maar dat hij liever zelf wat moest dragen. Maar de vader schreeuwde vanonder zijn papieren helm een norsch antwoord terug, en de kleine jongen lachte.
„Straat" noemde men den verbindingsweg tusschen de stad Dschennin en Haifa. Het was een veelbegane karavaanweg, maar overigens herinnerde hij alleen maar daardoor aan een aangelegden weg, dat de groote rotsblokken op zij waren gerold en dat hier en daar een gat in den weg met wat puin was aangevuld.
Een troep Arabische handelaars met bepakte kameelen kwam hen tegen en die riepen hun den nram van hun toekomstig verblijf als groet toe : „Schaloom! — Schaloom ! Schoolem aleichem !" Zij lichtten hun kalotjes van hun hoofd, en namen dit op als een goed voorteeken.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1946
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's