De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Zonde en Genade

12 minuten leestijd

Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zoovelen Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven, kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn naam gelooven. Johannes 1 vs. 11 en 12.

Het Johannesevangelie is een preek, en het begin ervan een lied, een machtig kerkgezang.

Als met adelaarsvlucht stijgt de profetische zanger op tot de aanvangen der wereld, ja tot de aanvanglooze eeuwigheid, toen niets bestond dan God, het scheppend Woord.

Even zweeft hij op breede wieken in hemelhooge sferen. Om dan weer pijlsnel neer te schieten als het licht op 't vlak van deze donkere aarde.

Adventstonen weerklinken, als van Johannes wordt gewaagd, getuige van het Licht der wereld. Maar deze adventstonen gaan weldra over in jubelende kerstklanken, hun hoogtepunt vindend in het lofaccoord : Het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijne heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid.

Hooggestemd is des dichters zang, maar daardoorheen beluisteren we mineurtonen.

Zonde en genade wisselen elkander af.

Zoo ook in onze tekst : Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij is gekomen tot het zijne, — dat is genade, Gods genade. En de zijnen hebben Hem niet aangenomen, — dat is zonde, onze zonde.

Het zijne, wat hebben wij daaronder te verstaan? De wereld niet. Daarover is gesproken in het vorige vers. Ook de wereld is van God, van 't vleeschgeworden Woord, door Hem in 't aanzijn geroepen en door Hem onderhouden. Maar de wereld heeft zich in eigenzinnigheid en hoogmoed van God afgekeerd en zich verkocht aan Satan, die nadien Overste der wereld heet.

„Het zijne" wordt hier daarom meer in speciale zin gebruikt, 't Is Israël, het volk, door God uit alle volken tot Zijn eigendom verkoren; het volk, waarmee Hij zijn verbond heeft opgericht.

Tot dat volk is Christus gekomen, want ontvangen van den Heiligen Geest, is Hij geboren uit de maagd Maria, de arme prinses uit 't vervallen huis van koning David.

Welk een ontferming spreekt uit dit komen van Christus tot het zijne.  Immers, zoo diep was de wereld gezonken, en met die wereld ook het volk van God, dat zij niet anders gered kon worden dan door den dood des Zoons van God. Zoo alleen kon aan het heilig recht des Heeren, door onze zonden geschonden, genoeg gedaan. Zoo alleen een eeuwige gerechtigheid teweeggebracht voor onrechtvaardigen.

Maar wilde de Zoon van God de schuld der zijnen kunnen boeten, dan moest Hij hun natuur aannemen. Aan geen ander schepsel toch dan aan den mensch wil God de zonde straffen, door den mensch bedreven. En zoo heeft dan de Zoon van God, door gadelooze ontferming bewogen, den hemel der heerlijkheid verlaten, zich gehuld in de lompen onzer menschelijke natuur, en is op aarde komen wonen als onzer één, uitgenomen de zonde.

Maar zie, wat gebeurde? Inplaats dat de zijnen Hem met uitgestrekte armen begroetten, zijn ze Hem voorbijgegaan, ja, hebben Hem verworpen. In groote ondankbaarheid en eigengerechtigheid beschouwden ze Jezus als een indringer en opdringer.

Reeds bij zijn geboorte is voor Hem geen plaats in de herberg. Een vuile stal is zijn woning, een houten krib zijn wieg. Straks, als Herodes achterdocht is gaande geworden, is voor Hem geen plaats in 't heilige land. Smadelijk moeten zijn ouders met Hem vluchten naar Egypte. Tenslotte is voor Hem zelfs geen plaats op de gansche aarde. Uitgestooten van de aarde, hangt Hij aan het kruis, terwijl de hemel Hem niet kan ontvangen, beladen als Hij is met de schuld der zijnen. Hij is gekomen tot het zijne, maar de zijnen hebben Hem niet aangenomen.

Waarom is dit alles toch geschied ? Waarom is Jezus niet met blijdschap door de zijnen ontvangen ?

Omdat de mensch een vijand is van God en geen herstel in Godes gunst begeert. Wel wil de mensch verlossing van de gevolgen der zonde, maar niet van de zonde zélf. Hij heeft de zonde veel te lief. Hij heeft zichzélf te lief. Daarom wil hij zichzelf niet opgeven ; wil hij zichzelf handhaven in zijn van God vervreemd bestaan.

Dat is de reden, dat Israël zijn Zaligmaker heeft verworpen. Israël zocht nationale bevrijding, geen verlossing van zonde en Satan. En dit is het vreeselijke : Jezus is niet door de „goddeloozen" gedood, maar door de vromen onder Israël. De mannen der wet hebben Hem aan het kruis gebracht. Dacht u, dat ze hun gerechtigheid wilden prijsgeven, hun zondaarsbestaan erkennen en op één hoop geworpen worden met de „goddeloozen" ? Niets daarvan ! Daarom : weg met Jezus ! Aan 't kruis met Hem ! Zoo'n Messias kunnen wij niet gebruiken !

Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Dit woord geldt ook van ons. Als gemeente van het nieuwe verbond zijn wij 't gebied van Christus' heerschappij, 't Woord „kerk" beteekent : wat des Heeren is. Maar ofschoon over ons de Naam des Heeren is uitgeroepen, ofschoon Christus tot ons komt in Woord en Sacrament, nemen wij Hem niet aan. 't Is niet alléén de goddelooze wereld, die Hem verwerpt. Neen wij, wij zijn het, naar Zijn Naam genoemd.

Waarom doen wij zoo ? Wel, om dezelfde reden als de Joden Jezus uitgeworpen hebben. Omdat wij onszelf niet willen opgeven en zondaar worden voor God. Omdat wij onszelf willen handhaven en vijanden zijn van God, Zijn wet en Zijn genade.

Ach, met allerlei middelen trachten wij onszelf overeind te houden tegenover God. Is het niet met onze deugden, dan met onze vroomheid. Is het niet met onze vroomlieid, dan met onze zondedroefheid, ons zelfmishagen, ons vreezen voor het oordeel. Al deze dingen nemen bij ons de plaats in van een Zaligmaker.

Komt Jezus zoo tot ons, dan werpen wij Hem uit. Natuurlijk doen wij dat niet op grove wijze.

Neen, wij zijn immers deugdzame, vrome lieden. Heel gaarne zouden we Jezus aannemen, maar we kunnen het niet. Wij zijn onmachtig tot het goede en geneigd tot alle kwaad. En niet alleen halen we den Catechismus aan, we beroepen ons ook op een woord uit den Bijbel : een mensch kan geen ding aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven is. (Joh. 3 vs. 27).

Zoo zijn we dan aan alle zijden gedekt. Hier kan geen mensch wat tegen in brengen. Zelfs God de Heere niet. Zoo blijven we rechtzinnige menschen, handhavers van het Woord van God, strijders voor Zijn eer. Maar intusschen houden wij den Heere Jezus buiten ons leven. Christendom zonder Christus.

Er is nog een andere methode om met Christus af te rekenen. Een methode, die nog geraffineerder is en daarom des te meer misleidend. Wij nemen den Heere Jezus op in onze gedachtenwereld, zelfs in ons gevoelsleven, maar over ons hart laten we Hem geen koning zijn. Onze wil blijft zich tegen Hem verzetten.

Zoo krijgt men het stemmingschristendom, dat van de stal in Bethlehem een stukje romantiek maakt en het gemoed ontroert met sentimenteele liederen. Wij kennen dat allen, en o, 't gevaar is zoo groot, dat wij ons er door laten meesleepen en ons geweten zoo in slaap wiegen.

Maar weten we wel, dat kribbe en stal geen mooie dingen zijn, doch teekenen van onze zonde ? Reeds in de kribbe lag de Heere Jezus als onze Borg. Over de kribbe valt de schaduw van het kruis. De kribbe is, om zoo te zeggen, van hetzelfde hout gemaakt als het kruis. Ook kribbe en stal prediken ons : Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der wet, om dat te doen! Schrikkelijke dingen zijn het, geen mooie.

In éen van haar kerstverhalen vertelt Jeanne Oterdahl van een kleine meisje, dat op kerstavond met haar vader en zusjes de kerkdienst bijwoont. Naar de preek luistert ze niet. Ze begrijpt er niet veel van. Ze denkt aan thuis, waar de kerstmaaltijd wordt klaargemaakt. In haar gedachten ziet ze het stalletje met het kindeke Jezus in de kribbe. Jozef en Maria er naast, — reeds op de feestdisch staan. Ze verheugt zich op het mooie en heerlijke, dat haar thuis te wachten staat.

In haar droom wordt het stalletje steeds grooter. 't Wordt levensgroot. Ja, grooter nog. Eindelijk vult het de heele kerk. Dan ziet ze naar den dominee. Daar boven hem op de preekstoel, staat het kruisbeeld van Christus, zooals dat in buitenlandsche protestantsche kerken meer voorkomt. Meerdere malen heeft ze dat beeld gezien. Maar nu ze het door haar droombeeld heen in 't oog krijgt schrikt ze, want ze begrijpt: het kindje in de kribbe is dezelfde als de Heiland aan 't kruis. Nu wellen tranen op in haar kleine kinderoogen . . . . . . .

Zie, deze ontdekking moeten ook wij doen : achter de kribbe staat het kruis. Het kind in de kribbe is dezelfde als de Man, die hangt aan 't kruis. Een wreede ontdekking. Veel moois uit onze droomwereld wordt zoo aan flarden gescheurd. Maar een heilzame ontdekking. Nu gaan we onze zonden kennen, onze diepe verlorenheid. Zoo diep, dat Christus, de Zaligmaker, moest worden neergelegd in een kribbe om straks gehangen aan een kruis. Nu verliezen we onze gerechtigheid, maar we winnen Christus, die alleen onze gerechtigheid is voor God.

Maar zulk een ontdekking doen we niet uit ons zelf. Wij leven van nature in een droomwereld. We sluiten onze oogen voor de werkelijkheid. Vleien ons met ijdele dingen ; een brokje romantiek, een gevoelschristendom, een namaak- Christus. Daarmee houden we den werkelijken Christus op een afstand, buiten ons huis, buiten ons leven en buiten ons hart! Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.

O, hoe onmogelijk is het van onzen kant, om zalig te worden ! Niemand, die Christus van nature aanneemt. Wij allen, allen verwerpen Hem. Maar zie, wat bij de menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God.

Hoor het woord van onzen tekst: Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zoovelen Hem aangenomen hebben . . . . . . . Een goddelijk „maar" tegenover een menschelijk ,,en".

Wij allen verwerpen Christus van nature. Toch zijn er, die Hem aannemen : Maar zoovelen . . . . . . . .  Hier doorbreekt het licht van Gods genade het duister van onze zonde.

Groot is de macht van onze zonde. Maar grooter is de macht van Gods genade. Tegen Gods genade houdt de mensch het niet uit. De werking van den Geest is onweerstandelijk. Lang kan de mensch weerstreven. Maar eindelijk moet hij zijn tegenstand opgeven. Dan neemt hij den Christus, dien hij eerst verwierp, aan, en spreekt hij : Heere, Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden. Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht. (Jer. 20 : 7).

Dan verstaat hij in waarheid: een mensch kan geen ding aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven is.

Wij allen verwerpen den Christus van nature, maar niet allen nemen Hem aan. De zijnen hebben Hem niet aangenomen, maar zoovelen Hem aangenomen hebben . . . . . .

Maar zoovelen . . . . . . .  Hier schittert het licht der goddelijke verkiezing. Ja, aan de verkiezende genade des Heeren hangt onze zaligheid. Gelukkig, dat dit zoo is. Hing 't van mij af, ik werd nimmer zalig. Ik zoek God niet; ik wil niet eens verlost en zalig worden van nature. Daarom neem ik Christus niet aan. Maar Godlof, 't hangt niet van mij af. 't Hangt af van God en van Zijn verkiezende, vrijmachtige, doorzettende en overwinnende genade. Maar nu is mijn zaligheid ook verzekerd. Nu kan ik niet meer verloren gaan, hoe zondig ik ook ben, hoe 'n verlater van Gods wet, hoe 'n weerstrever van Zijn genade.

Toch sluit de verkiezende genade des Heeren de verantwoordelijkheid van den mensch niet uit. Wie verloren gaat, gaat verloren door eigen schuld ; omdat hij zijn zonde niet heeft willen erkennen, zijn oordeel niet aanvaard en Christus niet heeft aangenomen. Het verwerpen van Christus ligt voor 's menschen rekening.

Vandaar ook de roeping tot den mensch gericht om Christus aan te nemen. Ik denk hier aan Zondag 7 van onzen Catechismus. Daar wordt gevraagd : worden dan alle menschen weder door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden ? Dan luidt het antwoord niet : neen zij, alleen degenen die door God zijn uitverkoren, — ofschoon dit op zichzelf was juist geweest. Neen, het antwoord zegt : alleen degenen die Hem (Christus) door een oprecht geloof worden ingelijfd, en al Zijn weldaden aannemen.

Hoe men het ook wendt of keert, Christus moet door den zondaar worden aangenomen. Of liever : Christus mag worden aangenomen, want Hij wordt den zondaar gegeven. God geeft Hem uit genade aan verloren zondaren. Ja, werkelijk, aan verloren zondaren ; aan menschen, die geen enkel recht op Christus hebben ; die niets bezitten op grond waarvan zij Christus waardig zijn. Die Hem alleen maar verbeurd hebben.

En wat is nu tenslotte het voorrecht dergenen, die Christus aannemen ? Zoovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven, kinderen Gods te worden.

Kinderen Gods — een uitnemend voorrecht : geliefden om Christus' wil, voorwerpen van Gods Vaderzorg, erfgenamen der zaligheid. Van nature zijn we het niet. Wel kinderen des toorns, dienstknechten van Satan.

Zoovelen Christus echter hebben aangenomen en Satan afgezworen, dien heeft God macht gegeven kinderen Gods te worden.

Volmacht gegeven, staat er eigenlijk, zoo als men iemand bij de wet een bepaalde bevoegdheid, een zeker recht toekent.

O, wat ligt het kindschap Gods nu vast voor de geloovigen ! God zelf verleent hun dat recht, zet hen in dien staat. Laat Satan het hun betwisten, zij mogen zich beroepen op deze wilsbeschikking Gods. Laten ze zelf menigmaal aan hun kindschap twijfelen, gezien hun zonden en zwakheden, — het is niet in henzelf gegrond, maar in 't verbond, het testament van God.

En dat testament, die wilsbeschikking Gods, mogen zij gelooven.

Van daar ten laatste het slot van den tekst: namelijk, die in Zijn naam gelooven. Wie Christus aanneemt, neemt Hem aan in 't geloof, 't Geloof in Zijn naam. Zijn wezen, Zijn persoon. Hij weet : de gansche Christus in zijn volheid van genade is voor mij. Voor mij is Hij geboren in Bethlehems stal, voor mij heeft Hij gehangen aan het kruis. Al mijn vloek heeft Hij gedragen, al mijn schuld bij God geboet. Hij is de mijne en ik ben de Zijne. En zoo valt hij Hem met Thomas te voet, zeggende : mijn Heere en mijn God! Kent ook gij dat ? Van nature verwerpers van den Christus, dienstknechten van Satan. Door 't geloof kinderen Gods, medeërfgenamen met Christus. Wonderbaar. Maar werkelijk. Zalig werkelijk. Krachtens Gods genadige beschikking in dén Heere Jezus Christus.

(den Ham ov)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's