MEDITATIE
Bede
Het oude is voorbij gegaan. Het nieuwe is gekomen. Heel even is men misschien stil geweest, toen de klok haar 12 slagen liet hooren. Daarop klaterden de gelukwenschen : , , Veel heil en zegen in 't nieuwe jaar".
Wat zal het jaar 1947 ons brengen ? Niemand weet het, dan God alleen. Alles ligt besloten in Zijn hand. En daarom moeten wij ook in dit nieuwe jaar de oogen opheffen tot den Heere. Hij is het, die in Christus ons kan helpen en ons door Zijn Woord en Heiligen Geest wil leiden dwars door alles heen. Komt er voorspoed, komt er tegenspoed, Hij is dezelfde. Hij kan en wil Zijn volik in voorspoed bewaren voor hoogmoed en in tegenspoed voor opstand.
De wereld schreeuwt in haar nood, maar ontvangt geen antwoord.
Roept een kind des Heeren, .de Heere antwoordt. Welk een verschil!
Mogen wij dan samen maar met dien Heere het nieuwe jaar beginnen. Wie begint met den Heere en zichzelf kent bij het ontdekkend licht des Geestes, zal dan den Heere bidden, wat ge vindt in Psalm 119 vs. 116a :
Ondersteun mij naar Uwe toezegging, opdat ik leve.
Wat kent de dichter van Psalm 119 toch het leven, met al zijn gevaren en moeilijkheden. Maar niet minder kent hij zijn God, tot Wien hij altoos de toevlucht kan nemen. Maar de zanger kent ook zichzelf, als hij het uitroept : „Schraag op 't spoor mijn wankelende schreden".
Hij weet het wel, dat, als hij op zichzelf is aangewezen, het hopeloos verkeerd met hem gaat in 't leven. Hij is niets in zichzelf. Daar is Gods genade voor noodig om dat te belijden. Vandaar de bede : „Ondersteun mij".
Ondersteuning heeft men in elk opzicht noodig, èn in het stoffelijke èn in 't geestelijk leven, 't Leven is vol verleiding. De dichter spreekt er van in de voorafgaande verzen : „Wijk van mij, gij boosdoeners, opdat ik de geboden mijns Gods mag bewaren". Hij voelt het zoo, als ik mij mengen ga in het gezelschap der wereldsche menschen, dan is het voor mij verloren. Zijn hart gaat er van nature naar uit. En daarom bidt hij : „Heere, ondersteun mij". De Heere moet hem bewaren en kracht geven om in de wereld zijn roeping te vervullen en tóch niet tot de wereld te gaan behóoren. Hij bouwt niet op zichzelf. Hij wil het wel weten, dat hij zonder Gods ondersteuning de wereld gaat liefhebben. En dan legt hij zijn afhankelijikheid van God neer voor den troon der genade. Als God hem schraagt, dan zal het goed gaan ! Wat een ootmoed en kleinheid !
Lezer, gij zult ongetwijfeld plannen gemaakt hebben voor het jaar 1947. Maar dan deze vraag : „Gaat God met u mede en hebt ge den Heere noodig ? "
't Is een persoonlijke vraag, zooals ons tekstwoord persoonlijk is. Wil er toch eens over denken ! Maar voldoende is dat niet. Bidt maar, of de Heere u met deze vraag werkzaam zal maken.
Want wat beteekent deze vraag ? Niets meer of minder dan dat ge u afhankelijik gevoelt van den Heere. We meenen ons van nature zelf te kunnen redden. Het is niet waar. Zie maar naar Adam, zie maar naar de geloofshelden. Zoodra ze los wilden van den Heere, vielen ze. Als Gods Heilige Geest uw hart verlicht, dan zult ge uzelf zien als een mislukkeling, als een armzalig wezen, dat alleen maar God en den naaste in wezen haat.
Op de leerschool des Heiligen Geestes wordt afhankelijkheid, kleinheid en ootmoed geleerd. En daarbij nog een mishagen te hebben aan zichzelf. En dan, dan leert men den Heere in alles noodig te hebben. Als ge dan staat in het volle leven, dan bidt ge heel persoonlijk: „Ondersteun mij". Laat dat uw eerste bede mogen zijn in '47. Maar dan volgt de geestelijke worsteling. Satan, zal probeeren u te verleiden. Hij fluistert het u in de ooren : „Doe het maar zonder God. Ge zijt een té gróót zondaar". Dan komt de twijfel, de bange worsteling. De angstkreet klinkt op uit uw ziel: „Is het wel waar, dat de Heere mij wil helpen !" Wie uwer kent dien strijd? Misschien zijn er wel bekommerde en beproefde lezers, die het zoo moeilijk hebben. O, bidt het dan maar: „Heere ondersteun mij". De Heere zal u niet \erlaten, Hij is nabij de ziel, die schreiend tot Hem vlucht.
Waarom mag ik dit zoo sterk zeggen : Omdat de dichter zich beroept op Gods Woord.
Ondersteun mij naar Uwe "toezegginig". Het is toch immers zoo, dat, wanneer de Heere Zijn hand uitstrekt, teneinde ons op te helpen, als wij zijn gevallen, of ons, door diezelfde hand ondersteunt, de Heere Zijns belofte vervult.
De dichter houdt Gods Woord, Gods belofte steeds voor oogen in zijn gebed. Dat is juist zijn groote steun. Als dat Woord voor hem geen waarde heeft, durft hij ook niet te bidden. Hij weet, dat in den mensch geen kracht en volharding is om altijd zijn woord gestand te doen. Maar de Heere is waarachtig en waarmaker van Zijn Woord. Daarom bindt de bidder den Heere aan Zijn Woord. „Maar om dat te kunnen" — zegt Calvijn zoo mooi — „moet men door de bijzondere genade des Heiligen Geestes bekrachtigd worden".
De Heere heeft beloofd, dat Hij Zijn volk bewaren zou en dat Hij zou zijn, als de schaduw aan hun rechterhand. Ik zal u niet begeven, noch verlaten.
„Lezer, durft gij zoo op dat Woord van God te betrouwen ? Wat beteekent de belofte des Heeren voor u ? " Weer persoonlijke vragen, maar het zijn levensvragen. Wie dat Woord niet gelooft, heeft geen troost in di| leven. Maar lees uw Bijbel maar. Steeds heeft ée Heere Zijn belofte vervuld. Denk dan maar aan de zending van Zijn Zoon, Jezus Christus. ,
In dien Christus wil de Heere u alles schenken, alles wat ge noodig hebt om zalig te kunnen leven en zalig te kunnen sterven. Veel heil en zegen, neen, alle heil en zegen alléén in dien Christus, zult ge ontvangen in het jaar 1947, als ge u persoonlijik gebonden weet aan dien Christus. Zónder dien Christus kan het niet. Want wie zonder dien Christus wil leven, wil leven buiten en zonder Gods belofte, en wie zonder Gods belofte, Gods toezegging wil leven, wil leven zonder God !
„Ondersteun mij naar Uwe toezegging, opdat ik leve".
Door den zondeval van Adam, door onze persoonlijke zonden, heeft de dood als straf op die zonde, zijn intrede in de wereld gedaan. En met den natuurlijken dood paarde zich de geestelijke dood. Los willen zijn van God houdt in : los willen zijn van het leven, d.i. Christus. En nu weet de dichter, dat ook hij den eeuwigen dood heeft verdiend. Bij hem was het alles zonde en schuld. De rechtvaardigheid Gods eischt betaling. Wie kan er betalen ? Geen mensch ter wereld. Alléén de Zone Gods.
Wanneer er dus gebeden wordt om te leven, kan dat nooit buiten den Christus om ! De dichter wil leven ter eere van God. Maar hij kan het niet. Vandaar de bede om ondersteuning.
Hij wil leven, maar naar hetgeen hij verdiend heeft, moet hij sterven. En nu pleit hij op het Vaderlijk mededoogen. De bede om te mogen leven is een bede om genade. De dichter weet het zoo goed, dat hij buiten God niet kan leven. Wat is de mensch ! Hij weet het, dat de dood wenkt, maar groot is het dan om te vragen om te leven. Hij weet, dat hij in zichzelf dood is, genade is het, om dat te zien, en den bij de Levensbron vragen om leven.
Lezer. Het jaar 1947 roept en trekt. Het leven, het gewone leven eischt u weer op. En nu hebt ge te bidden om te leven. „Gun leven aan mijn ziel", bad de dichter. Moge dat ook uw bede worden.
Vol verwachting en hoop zijt ge 't nieuwe jaar wellicht ingegaan. Maar geen hoop en geen verwachting zal er zijn zonder gebed.
Jonge lezer, het leven bruist in u, ge tintelt van levenslust. Weet het, aan dit leven komt een einde. Uw kracht verflauwt; Wat dan ?
Als ge uzelf niet kent als een zondaar voor God en niet hebt leeren bidden om ondersteuning en om leven, zult ge sterven zonder God en zal de eeuwige dood u omarmen en uw deel zijn. Vreeseiijke gedachte ! Maar rijke gedachte, als ge in uw jonge leven het Leven moogt kennen.
Oudere lezers. Gij kent het leven van de mooie en van de donkere kant. Maar kent gij reeds dien Christus, Die u alleen het allerschoonste kan schenken, n.l. de vergeving der zonden en het leven ?
Grijsaard, gij moet het woord beamen : Het uitnemendste is moeite en verdriet. Maar kent gij reeds die blijdschap, die er is in het hart, wanneer ge Hem kent, die in deze wereld gekomen is om zondaren zalig, te maken ? O, ik bid u toe, dat ge moogt leeren bidden : „Ondersteun ook mij naar Uwe toezegging, opdat ik leve".
Onbekeerden, bekeert u, opdat ge moogt leven tot in der eeuwigheid.
Bekommerden, houdt u vast aan het Woord des Heeren : Hij is getrouw en sterk ; Hij zal Zijn werk volenden.
Begenadigden, die de zekerheid des geloofs kent, blijf klein en blijf bidden om die ondersteunende genade.
Mogen wij allen het gebed van Psalm 119 vs. 116a onder de werking des Geestes maken tot het onze : „Ondersteun ons naar Uwe toezegging, opdat wij leven". Dan zullen wij het eenmaal ervaren en straks in volkomenheid in den hemel :
Maar 't vrome volk, in U verheugd, Zal huppelen van zielevreugd. Daar zij hun wensch verkrijgen. Hun blijdschap zal dan, onbepaald, Door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt, Ten hoogsten toppunt stijgen.
Amen.
(Noordeloos)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1947
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1947
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's