Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina
32)
En het kind zong, met een stem als een klok, een zeldzaam schoone melodie. Het kon nauwelijks een melodie worden genoemd, het was neer een klankrijk rhytmisch spreken met onsamenhangende woorden, — met de diepe klinkers a en o en oe, die in de gezangen in het bedehuls dien vollen klank van toon bewerken. Een oeroude melodie was het, die schoon had geklonken van de harpen, die vol weemoed werden opgehangen aan de wilgen van den Eufraat-oever. Het waren gerekte, sombere klanken als uit een droom. Het was een Synagogelied, maar het werd naar kindersmaak wat gewijzigd, het was wat onbestemd, en het gaf iets weer van een verre herinnering. Het gleed neer onder de spelende lichtjes van de oppervlakte en dook dan weer op. Het zweefde heen en weer. Het was een Sukkoth-lied, en het was het toch ook weer niet. Maar iedereen moest daarbij denken aan Loofhutten, — aan een feestdag en aan feestvierenden. Mannia's krachtig stemmetje schikte zich zonder moeite en heel week naar de heilige woorden.
„Zing nog wat meer, " zei Sinai toen zij ophield. „Dat is goed tegen de vermoeidheid." En de vader vian Mannia, de kleermaker, zette met zijn mooie bariton een van die volksliederen in, zoo vol verlangen, wier vorm voor ons oor tot de diepte en zuiverheid wel eens in snijdend contrast staat:
Een mooie bloem, zoo schoon en teer. Lag midden op de straat,
en toen vielen de andere mannen in :
Meedoogen ! ziet toch, wie hier klaagt. Hebt medelijden, en weet goed t Is op een bloem dat treedt uw voet. Erbarmen, achwie die 't verstaat? Komt daarom allen, die hier gaat, En neemt mij op met zachte hand, Mij brengend, waar 'k eerst werd geplant !
De laatste drie regels werden herhaald, en nog drie andere strofen volgden. De stem van Zalig, die op Sabbatmiddagen een volkszanger was geweest, klonk boven alle stemmen uit, hoewel deze al spoedig door een vreemden man werden versterkt. Deze was reeds bij het lied van Mannia uit het kreupelhout te voorschijn gekomen, waar hij eveneens had uitgerust, en hij luisterde aandachtig toe. Toen alle mannen begonnen te zingen, kwam hij heelemaal voor den dag, en nu zag men, dat hij een Jood was, die zich op weg naar de stad bevond. Hij droeg een knoestigen stok in de hand. Bescheiden trad hij nader, en uit volle borst zong hij mee. Toch kon men het wel merken, dat het bij hem alleen om het zingen was, en niet om die menschen, want zijn blik ging slechts even en met een soort tegenzin langs hen, net alsof hij liever onopgemerkt bleef. Zijn baard en haar waren slecht verzorgd, zijn kleeding was armelijk en slecht genaaid. Het was alsof zijn schuwheid slechts korten tijd door het onweerstaanbaar verlangen naar een oud vertrouwd lied werd overwonnen. En nu begon een van de mannen weer een ander versje :
„De Joden, de Joden, kent gij ze mijnheer ? Kom, houd ze niet klein, maar geef ze hun eer I"
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1947
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1947
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's