De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Een belangrijke vraag

11 minuten leestijd

Waar is de geboren koning der Joden ? Mattheüs 2 vs. 2a

Deze vraag werd gesteld door de Wijzen uit het Oosten. De geschiedenis mag wel als bekend worden verondersteld. Wij willen met de genadige voorlichting des Geestes trachten enkele aanteekeningen ter overdenking te geven bij deze belangrijke vraag, door de zoekende heidenen gesteld.

De vraag werd in Jeruzalem gesteld.

Aangekomen in de hoofdstad, vragen de Oostersche reizigers naar den pas geboren koning. Maar niemand weet ervan. Zij vragen en vragen, zoodat het gerucht van hun verblijf en het merkwaardig, doel van hun lange reis alom in de stad wordt besproken. Ook Herodes hoort het. De geboren koning. Jeruzalem, uw koning is gekomen, de beloofde aan de vaderen, en weet gij dat niet ? Jeruzalem, gij wordt veroordeeld door die heidensche mannen ! Leidslieden van Israël, Schriftgeleerden en Farizeen, houdt ge u liever bezig met de wetsuitlegging en menschelijke geboden, dan dat gij zoekt naar de vervulling van wet en profeten ? Iemand zegt: De wijzen wisten dat wel niet, maar zij moesten in Jeruzalem niet zijn. Daar heerschte doode wettische vormendienst, daar wordt nooit gevonden de levende Heiland. En als Hij er eens zal komen, dan zal Hij er ter dood veroordeeld worden. Ge hebt gelijk. En toch, en toch ligt de zaak een weinig anders. In de stad des grooten konings, waar de heilige tempel stond, waar de altaren gedurig rookten, waar de schatten des verbonds in de rollen der profeten verborgen lagen, daar, ja daar zouden de wijzen zich den, weg zien gewezen naar Bethlehem. Jeruzalem was een station op weg naar de kribbe. De Heere gebruikt zijn Woord en zijn Kerk, al is die kerk nog zoo diep gezonken. Dit moet ons ook vandaag nog iets zeggen. Al was de weg door Jeruzalem niet zoo gemakkelijk te vinden, omdat de geestelijke leiders meer hinderpalen, dan wegwijzers waren op het pad naar den Heere Christus, toch werd die weg gevonden, want de vraag, die in geloof werd gesteld, zou door den bewerker van dat geloof ook worden beantwoord en daarvoor gebruikte Hij schriftgeleerden en Farizeen. Geloof, dat is het, wat ons opvalt in deze mannen. Zonder één oogenblik te aarzelen, vragen zij naar den Koning. Maar stel u dan de teleurstelling voor van den zoekenden mensch, wanneer hij denkt, dat men hem naar den Koning zal verwijzen, in de stad Gods, en men, blijkt daar niet van een Koning te weten. Evenwel gaven zij het zoeken niet op. Wellke tegenstand zich ook openbaart tegen het werk van Gods Heiligen Geest, die een ziel zoekende heeft gemaakt, toch zet dat werk zich, door. Het geloof houdt stand, al weet die mensch niet, dat het geloof is, dat stand houdt. Een zoekend geloof blijkt door het vinden een beproefd geloof, een waarachtig geloof te zijn.

De inhoud van de vraag was : de Koning.

Indrukwekkend klonk door de straten van Jeruzalem de roep om den koning. Scherp in tegenstelling tot de Keizervereering dier dagen. Immers de Keizer van Rome, de wereldheerscher uit dien tijd, liet zich ook goddelijke eer bewijzen. Hij werd kurios, dat is Heer, genoemd en hem werden offers gebracht. Zonder op de oorsprong van deze vereering in te gaan, kunnen wij wel vaststellen, dat wij hier te doen hebben met een openbaring van een anti-goddeïijke macht. De Keizer is god. Voor wie bij het licht der Schrift leeft, is het duidelijk, dat éen-der vruchten van Adam's zonde hier tot rijpheid komt in al de klaarheid van zonde, die openlijk wordt bedreven en tot wet wordt verheven. Als God zijn, dat is de val der menschheid geworden. Als God zijn, dat treedt duidelijk aan het licht in de Romeinsche Keizercultus.

In de dagen, dat deze Keizervereering vaste vorm begon aan te nemen, wordt Hij geboren, die der koningen Koning is. Waar is hij, de geboren Koning? Wij zouden toch al heel oppervlakkige Bijbellezers zijn, als wij niet moesten bekennen, dat deze zonde zich in der eeuwen loop immer voortzet door het menschelijk geslacht, dat deze zonde zich voortzet in ieder lid van dat menschelijk geslacht, ja, dat wij allen, ieder voor zich, den dienst der hoogmoed waarnemen, onszelf verheffende als waren wij een god. Niet, alsof wij het zoo openlijk doen als de Keizer van Rome dit deed, maar in ons aller hart is de zelfverheffing, die zich kenmerkt door een niet onderhouden van Gods geboden. En voor zoover wij onder de prediking van het Evangelie der zaligheid leven, hooren wij den roep, de verkondiging van den, Koning ! De Koning van het Rijk Gods. En het gaat ons als Herodes en Jeruzalems burgers : Wij ontroeren. Wij vreezen voor de komst van Hem, die ons koninkrijk zal vernietigen. En die vrees pogen wij weg te werken, door allerlei afleiding te zoeken. Zoo gaan velen, uit vrees voor den ondergang van hun eigen ik, den dienst der wereld in. Zoo leven velen in eigenwillige godsdienst, om, in naam den Koning dienende, zich in waarheid verre van hem te houden. Wij zoeken allen : zelfhandhaving. En niet eerder, dan dat ons dit door den Heiligen Geest is ontdekt geworden, leeren wij vragen naar den Koning. Wij leven als een koning in eigen schatting en zien, wanneer ons oog door genade er voor wordt geopend, dat wij slaven zijn van den Overste dezer wereld. Welk een ontdekking! Gebonden in de banden van zonde en ongerechtigheid. Zich niet kunnen vrijmaken van de wet der zonde en des doods. Niet anders kunnen dan onszelf zoeken. Wanneer wij dit leeren verstaan, dan spreken wij anders over de onmacht des menschen ten goede, dan de doode vroomheid dit doet. De onmacht is gebondenheid onder de schuld der zonde, die op ons rust. Uit deze ellende kan ons slechts redden de Koning, die de volken troosten, zal, die eeuwig heerschen zal over alle rnachten der duisternis. En uit de bange zielenood komt de vraag boven : Waar is de geboren Koning ? Waar is hij, die mij kan behouden ? Het is niet genoeg, te weten, dat Hij er is, het is noodig Hem te vinden, en voor zijn voetbank neer te knielen met smeeking en dankzegging. Wij willen geenszins beweren, dat de wijzen uit het Oosten al deze dingen bij ervaring kenden, hoewel 't moeilijk zal zijn te beweren, dat zij er niets van af wisten. Het is slechts de bedoeling, te doen zien, dat er in de vraag, zooals hij door Jeruzalem klonk, een diepe beteekenis schuilt. Een beteekenis, die misschien dieper was, dan degenen, die de vraag stelden, zelf wel wisten. Hoe het zij, hun vraag betrof den Koning der Joden. De beloofde aan de vaderen werd gezocht. De Christus der Schriften. Met achterstelling van eigen nationaal bewustzijn, kwamen zij naar het kleine land van het onaanzienlijke volk der Joden, om daar te zoeken den Christus, van wien de Profeten getuigden, van wien de geloovigen zongen, cp wien de godvruchtigen hoopten, wien te kennen het eeuwige leven is.

Het doel van de vraag was aanbidding.

Waar is Hij, de geboren Koning? Want wij zijn gekomen om Hem te aanbidden. Het woord, dat voor aanbidden is gebruikt, beteekent eigenlijk zich ter aarde werpen, zeer diep knielen. Het doel van de vraag is dus, om te knielen voor Hem als zij Hem gevonden zullen hebben. Later zal ook Herodes belangsteling veinzen voor de woonplaats van den jonggeborene. Ook hij wil aanbidden, maar zijn hart is vol arglistigheid. Bij de wijzen is er oprechtheid. Zij hebben het diep beseft, dat men voor Christus niet anders kan doen, dan knielen, wanneer men Hem gevonden heeft, na heilbegeerig zoeken. Wat zijn de wijzen met hun vraag velen van ons ver vooruit. Hoe vieren wij doorgaans Kerstfeest ? Hoe wordt het feest van den geboren Koning onder een christelijken naam doorgebracht ? Vele christenen vieren het feest heidensch, terwijl deze heidenen het feest christelijk wilden vieren.

Het knielen gevolgd door zich ter aarde werpen voor den Man, die gehuldigd wordt, duidt aan een volkomen zelfovergave, naast een diepgaanden eerbied. Zelfovergave, dat is ons van noode. Onszelf verliezen in den Koning. Dan is onze hoogmoed, ons koning willen zijn, in den wortel aangetast. Knielend voor den Koning kan het lijken alsof de oude mensch voorgoed is gestorven. Maar dat is niet zoo. In het leven, dat voor ons ligt, steekt de oude mensch het hoofd weer op, wil weer grijpen naar de macht. Daarom is het telkens weer noodig den Koning te zoeken, om voor Hem te knielen, om zich aan Hem over te geven. Voor Hem geknield heerscht er de ware zielerust. Voor den Koning. De dood verdiend, door onzen opstand, het leven verkregen, door Zijn vernedering. Het oordeel voor oogen, het gericht als rechtvaardig toestemmend, hoort de verslagen mensch het Evangelie van den geboren Koning. Waar is Hij ? Dat is de vraag, die onze ziel steeds in beroering moest houden. Het is de eenige vraag, die van belang is. Voor den mensch buiten. Christus is het de vraag, die over zijn eeuwige toekomst beslist. Voor den mefjsch in Christus is het de vraag, die over zijn dagelijiks leven beslist. Vraagt ge veel naar den Koning ? Kunt ge Hem missen ? Dan moet het er in uw leven wel donker uitzien, koningskind ! Dan zult ge geen waarachtige vreugde hebben. Is het duister in uw ziel, nadat gij door den Heere verlost zijt ? Vraag naar den Koning ! Bij Hem is licht en majesteit, bij Hem is eeuwige blijdschap. Daar hooren wij er een zingen, die den Koning heeft gevonden, heeft hervonden :

Al ging ik ook door een dal van schaduwen des doods! Ik zou niet vreezen ! Uw stok en Uw staf die vertroosten mij !

Het geloof vindt werkzame rust in den persoon van den Heere Jezus Christus. Maar ook in Hem alleen. Zij ons ook - daarin het voorbeeld van de wijzen tot leering. Zij waren niet zelfvoldaan, toen zij eenmaal in Jeruzalem, die vraag hadden gesteld. Zij meenden niet nu genoeg te hebben.

Hoevelen in onze dagen meenen, dat vragen naar den Koning der Joden al meer dan genoeg is. Ja, men is nog wel niet zoo ver gevorderd op den weg des heils, maar men rekent zich toch gaarne bij de bekommerden. En al meer en meer bedriegen er zich zelf, meenend zoekende zielen te zijn, zonder zich ooit waarlijk te bekommeren om te vinden. Velen vragen en bidden altijd maar, en achten dat eigenlijk net zoo goed, als beantwoord te worden en verhoord. De wijzen waren ook niet gerust te stellen en te bevredigen door de ster, die zij gezien hadden. Deze kostelijke gave Gods hadden zij hoog gewaardeerd. Maar aan hun vertellen over het zien van de ster, ging de vraag naar den Koning vooraf. Het zij ons tot onderzoek des harten. Leven wij uit het verleden ? Of leven wij uit het heden, ook al is dat een vraag. Als het dan maar een vraag is naar den Koning. Zelfs konden de wijzen niet bevredigd worden door de wetenschap, dat de Messias in Bethlehem te vinden zou zijn. Ze zeiden niet: „Nu weten wij het goed. Zoo moet het nu zijn. Wij moeten naar Bethlehem. Neen, zij vonden eerst rust in Bethlehem, neerknielend en aanbiddend. Wetenschap kan niet troosten, kan niet behouden, maar geloof, dat den Borg omhelst, weet van verzoening met God.

De vraag en wij.

Hebben wij die vraag al gesteld ? Of heeft het bestaan van Jezus, den Zaligmalker, nog nooit ons diepste wezen beroerd ? Zonder den geborene in Bethlehems kribbe, zonder den van God gegevene kunnen wij niet ingaan in het Koninkrijk Gods. Buiten Jezus leven, beteekent buiten Jezus sterven. En buiten Jezus sterven beteekent de eeuwige dood. Al zijn wij evenals de Joden te Jeruzalem, kinderen des verbonds, zonder persoonlijk contact als een des doods waardige met Christus den Heere, in de stad Davids, worden wij straks buiten geworpen met de kinderen des koninkrijiks.

Ge wilt nog een vraag stellen ? Ge hebt begeerte naar Hem, ge vraagt naar Hem, en vond u de weg versperd, door het woord, dat er slechts rust is, niet in het vragen, maar in het vinden. Ge meendet toch iets te bezitten en is dat niet zoo ? Wat moet ge dan ? Blijven vragen en zoeken, want dat is de weg tot vinden en verhooring. Of kunt ge het vragen nalaten? Dan was het vragen niet echt. De waarachtige vraag des harten naar Christus, de vraag naar verzoening met God, laat zich nooit onderdrukken, óok niet, als gewezen wordt op het tekort van , zoeken zonder vinden. Zalig de mensch, wiens vragen beantwoord werd. Waar is de geboren Koning der Joden ? Zie, hier ben lk ; zie, hier ben Ik ! Ik ben uw heil alleen ! En vol ontroering, stamelt ge in aanbidding u voor Hem neerwerpend: Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israels.

Amen.

(Reeuwijk)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1947

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1947

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's