De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet.

FEUILLETON

4 minuten leestijd

Een vehaal uit het hedendaagsche Palestina

34)

En toen weer na een, poosje riep hij : „Chadscha !" Doch toen de jonge vrouw in haar haast om hem gehoorzaam te zijn even over een boomwortel struikelde, liet hij een wrevelig : Stommerik ! hooren. Nu stond zij voor hem, en hij reikte haar iets toe van wat nog van den maaltijd over was. Zij nam een sinaasappel en een stuk brood, en trok zich toen weer naar haar boom terug.

Toen Samuël dit zag, bleven; hem de woorden in de keel steken. En Rea riep op gedempten toon : „Mijn hemel, leven getrouwde menschen in dit land op die manier ? Zouden wij dat soms van hen moeten leeren ? "

Mandel lachte, ofschoon iets van ontzetting ook in zijn oogen broeide. „Juist omgekeerd is het, — zij zullen onze leefwijze van ons moeten afkijken, óf : zij zullen ondergaan. Het land en de kracht zijn toch ook van ons ? "

Sinaï gaf bevel, de ezels te halen, en ze weer op te laden. Na een marsch van een uur bevonden zij zich in een verlaten dorp, waar de bewoners alleen nog maar kwamen in den tijd van het zaaien en oogsten. Daarna ging de weg een tijdlang langs den nauwen loop van den Kison.

Op een plaats had zich een moeras gevormd, waarin steltloopers nestelden. Overigens stond boven de boomlooze vlakte niets dan de brandend heete zon aan het diepblauwe hemelgewelf. Stekelig kruid bedekte den bodem haast zoover als het oog reikte, en op eenigen afstand zagen zij kameelen, die daar tot aan de knieën in gingen, terwijl de even rustende begeleiders daar haast heelemaal in verdwenen.

In het Noordoosten wenkte weer een hoogte, bedekt met een eikenbosch, als hiet ware ten bewijze, dat de grond toch nog wel iets kon voortbrengen. Dan kwamen verderop ruïnes van een waterleiding in het gezicht, en daarbij Fellahdorpen, die al net zoo bouwvallig waren, met woonruimten, waarin men niet kon wonen, maar waarin men alleen maar eenige beschutting tegen niet al te lang durend slecht weer of tegen de nachtelijke koude vinden kon.

En midden daartusschen gestrooid lagen jonge kolonies, die nog aan het strijden waren om te verkrijgen, wat de zich wat preutsch aanstellende bodem hun zou willen afstaan, al werd alles dan ook reeds gekenmerkt door bewijzen van vooruitgang.

Zij hielden geen rustpoos meer. Toen de leeuwerik zijn avondlied de lucht inzong, lag het dorp Baltjisrael, dat zich hun had aangeboden als tijdelijk kwartier, vóór hen.

De moechtar van dit oord was Nathans, een deftig man van hooge statuur, met een heel langen baard. Hij nam Sinaï met de zijnen in zijn eigen huis op, want hij had al een woonverblijf, dat werkelijk dien naam verdiende.

De steenen en aarden hutten van Baltjisrael, zooals men die van de Fellahs had afgekeken, werden nu weer het model voor de bouwwerken, waaraan den volgenden morgen op het nieuwe gebied werd begonnen. Reeds bij het eerste krieken van den dag wekte Mandel allen, die er mee op uit zouden gaan. Alleen de kleine kinderen met hun moeders bleven achter, en ook de blinde met Mannia.

Het meest belangrijke materiaal voor het bouwen lag daar reeds in groote hoeveelheden ; het waren de groote en kleine bazalt- en kalksteenblokken, waarmede de grond als bezaaid was.

Zij sleepten die bij elkaar, en de mannen stapelden daar dikke muren van op, bogen die in lichte welving naar elkaar toe en dekten ze met een laag doorns of rijshout. Over dat alles heen wend dan nog een laag vochtig leem gestreken. Deze holen bevatten slechts twee of drie ruimten, een voor het vee, en dan de rest voor de menschen. De werktuigen vonden buiten een plaats tegen de wand, zonder dat men bang behoefde te zijn, dat de regen ze zou bederven, en de oogst zou men dan later wel kunnen opbergen in opgestapelde hoopen, of in steenen bakken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1947

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1947

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's