Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina
36)
„Messias !" fluisterde Suze heel zachtjes en tot Samuël gekeerd, met wien zij hand in hand zat : „Wat hebben zij ook weer daar in de stad gezongen ? „U, Jeschua, U, heilig kind van God !" Hij keek haar met - verborgen ontzetting aan, en schudde aan haar arm. Hij had zoo gehoopt, dat zij die waanvoorstellingen nu vergeten was, want zij had sedert het bezoek aan de „Profetenschool" daar niet meer over gesproken. Vreeselijk was het toch, dat zij haar altijd weer in de gedachten kwamen, en Samuël werd daar zelf ongerust over. Het gevoel kwam over hem, dat iets werkelijks daaraan toch ten grondslag moest liggen, omdat het zoo hardnekkig was. Het was toch onmogelijk, dat deze overigens zoo verstandige vrouw zóó aan een hersenschim zou vasthouden. Zijn nieuwsgierigheid was gaande gemaakt en hij vatte dit uur het besluit op de zaak te gaan onderzoeken, zoodra hij een „Zoon der Wet" zou zijn geworden, al was het alleen maar om de blinde rust te verschaffen. Maar menschen dieren moesten toch leven. De bedlegers voor den nacht waren nauwelijks, voor zooveel noodig was, bezorgd en een Schabbes-Goje was daar, om het verboden werk te doen. De lieden van Schaloom moesten maar hopen, dat de Heere der heirscharen ook thans als sinds 1900 jaren voor het uiterlijk met kleine proeven en bewijzen van hun goeden wil tevreden zou willen zijn. En 's middags slenterde Mandel met Rea en de beide oude luidjes, rustend van het gewone werk, langs de grens van hun gebied. Hij schonk zijn volle aandacht aan alles, wat er in de naaste toekomst zou moeten worden gedaan.
Samuël leidde de blinde, en Tulpenbloesem volgde de gewoonte, om kinderen, die op den leerplichtigen leeftijd waren, op Sabbat naar hun kennis te vragen, door zijn pleegkind eenige vragen te stellen over het verleden van deze landstreek. Zij klommen nu over de steenen heen en gingen een eind de helling op. Duidelijk kon men zien aan de muren, die als terras dienst hadden gedaan, dat hier vroeger een uitgestrekte beschaving had bestaan, zooals thans de Tempeliers te Haifa die nieuw hadden gevestigd. Een spaarzamelijke begroeiing van struiken, terebinten en Johannesbroodboomen deed hier haar uiterste best om in het leven te kunnen blijven. Boomstompen en wortels toonden aan, dat kortzichtig eigenbelang den woudstand had vernietigd. Het was alles aan het vermolmen, en waar eenige jonge aanplant hen omringde, werd die door de hier vrij grazende zwarte geiten der Pellah's geheel kaal gevreten.
Spoedig vonden zij ook een van die putten, waarover de Duitscher hen reeds had gesproken. Het was een in de rots uitgehouwen en zich op de wijze van een flesch verwijdende kuil, die eertijds regenwater had vergaard, maar nu geen druppel meer bevatte. Op den bodem daarvan ontdekte Samuël een mooie kleine hagedis, die daar angstig rondliep en een uitgang zocht. Zij moest daar bij toeval in gevallen zijn. Vergeefs keek hij om naar een droog takje om haar te helpen en naar een mogelijkheid om er zelf bij te komen om er dan weer uit te raken. Hij was bang. Wie hier naar beneden stortte en niet door menschelijke hulp werd bereikt, was reddeloos verloren. Lag daar geen geraamte — daar, op de donkerste plaats onder het gewelf? Vast en zeker — de borstkas duidde op een of ander zoogdier, misschien van een vos, een wild zwijn of een groote kat.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1947
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1947
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's