Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina
37)
Nu merkte Samuel ook, dat hier een stank heerschte, die op ontbinding wees. Hij deinsde terug, en ademde eerst een paar keer de reine en zuivere boschlucht in. Maar toen dreef de nieuwsgierigheid hem weer aan om het geheim van deze groeve geheel te weten te zien te komen. Hoe langer hij naar beneden keek, des te meer overblijfselen van dieren merkte hij op, — beenderen en wervels van kleine dieren, en ook resten van hun vel. Menig schepsel van de wildernis was in deze ongewenschte val te gronde gegaan, onbemerkt, onvermist, maar met hoe grooten angst!
De ringvormige rand van het gat was door den tijd zóó nauw geworden, dat hij zelfs een mensch nauwelijks nog waarschuwde, en iemand, die in het donker hier in de buurt kwam, in geen geval voor een ongeluk zou hebben gevrijwaard. In de omgeving zocht Samuel vergeefs naar iets, waarmede hij de opening zou kunnen bedekken; om aan dien nutteloozen dierenmoord paal en perk te stellen. Van droog rijshout was er haast geen spoor meer te ontdekken, zóó nauwkeurig was daar voor de hutbedekking reeds naar gezocht, — en om groene takken af te breken, wist Samuel reeds te goed, dat het bosch een zoon van Israël heilig moet zijn. Was het geen Sabbat geweest, dan zou hij Mandel hebben kunnen vragen om hem behulpzaam te zijn, om er een grooten platten steen over te wentelen, doch nu nam hij zich voor om toch in ieder geval op een vrijen avond een grootere omheining bij het gat te gaan maken. De hagedis kon hij niet meer helpen, maar hij troostte zich daarmede, dat er ook wel spinnen en insecten naar beneden zouden komen, om dat dier te voeden, en dus ging hij nu de anderen na, die hem reeds vooruit waren geloopen.
Die hadden nog een anderen, in de rots gehouwen, kuil gevonden — vlakker van bodem dan die put, met een afvoerkanaal, dat boven een holle ruimte uitkwam. Het moest een oude wijnleider zijn, waarvoor eens de druiven in groote menigte aan deze helling waren gegroeid. — „Wij hebben veel te lang ons huishouden verwaarloosd", zei Sinaï. „En nu is de verderver daarbij gekomen".
Mandel zag echter in die dingen slechts hun tegenwoordige en toekomstige waarde. „Van het regenwater, dat vroeger bij de boomen insiepelde, kon de kalk zich geheel vol water zuigen, net als een spons, en het dan ter rechter tijd teruggeven. Hier moeten boomen komen en bosch en aanplantingen ! Jong hout moet hier komen, en steenen muren zijn dus ook noodig ! Water moeten wij verschaffen, en wij zullen het verschaffen, bosch en water ! Het kan hier alles komen, het hangt alleen maar van ons af!" Hij balde, zijn groote handen met de sterke, stompe schoenmakersduimen, en sprak er niet verder over. Het ongeduld verstikte zijn woorden. Deze gedwongen Sabbatsrust was voor hun een zware beproeving, waaraan hij later, toen alles gelukte, en naar wensch ging, vaak nog glimlachend moest terugdenken.
Ook zijn vader, de koopman, liep met zijn kleinen Chaim over zijn akker. Die grensde met zijn smallen kant aan den Kison, daar, waar de droge beekbedding uitmondt, die ook voorbij Mandel's stuk liep, en was van den Karmel zoover verwijderd, dat er geen steenen van den berg af op kwamen rollen. Maar nu miste hij daardoor óók de nog telkens van den berg afgespoelde vruchtbare teelaarde.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's