De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vragenbus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragenbus

7 minuten leestijd

Vraag: 1. Hoe moet verstaan worden Matth. 5 : 19, de meesten en de minsten in het Koninkrijk der Hemelen?

2. Johannes 21 vers 25, over die boeken die de wereld niet zou kunnen bevatten, hoe moet ik dat verstaan ?

3. Als mij een erfenis gemaakt wordt door een oom of tante of neef, en er zijn soms heel veel rechthebbenden, kan ik die dan met een gerust geweten aanvaarden ? En de rest niets geven ? Is zoo iets volgens Gods Woord goed en recht ?

4. Is brand-, inbraak-, levensverzekering, etc, een geoorloofde zaak voor een Christen, die beleeft wat hij belijdt?

5. Wat is de hoofddwaling van de ethisdhie richting ?

Antwoord vraag 1. Matth. 5 : 19 spreekt niet over de minsten en de meesten in het Koninkrijk der hemelen.

„Zoo wie dan één van deze minste geboden zal ontbonden, en de menschen alzóó zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninikrijk der hemelen, maar zoo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen."

Het gaat dus over de leeraren, die de geboden Gods onbeduidend achten. Zij zullen onbeduidend genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen. Wie de geboden Gods veracht, zal door God veracht worden.

Ook Matth. 11 : 11 spreekt over de „minste" in het Koninkrijk der hemelen. Daar edhter staat een ander woord : de kleinste en niet onbeduidend. Ook in het Koninkrijk der hemelen is rang en stand. Daar zijn grooten en kleinen, al naar het welbehagen Gods.

Antwoord vraag 2. Als alle dingen, welke de Christus gedaan heeft, beschreven werden, zouden daarvoor zooveel boeken noodig zijn, dat de wereld ze niet zou kunnen bevatten. Dat wil zeggen : Er zouden heel, heel, heel veel boeken voor noodig zijn.

Vergeet ook niet, dat de apostel Johannes dit zegt, die begint zijn Evangelie met er ons op te wijzen, wie die Christus wel is : het Woord, dat bij God was, ja God was. Het Woord, dat alle dingen geschapen heeft. Het Woord, het leven en de wijsheid der menschen. Het Woord, dat is vleesch geworden.

Wat dunkt u ? Als men kon opschrijven wat deze Christus gedaan heeft, zou de wereld alle boeken kunnen bevatten ? Immers neen.

Antwoord vraag 3. Zie de arbeiders in den wijnberg. (Matth. 20 : 15) : Of is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne, wat ik wil?

Iemand kan zijn goederen dus vermaken aan u of aan een ander, met voorbijgang van degenen, die daarop recht hebben, naar zij meenen. En gij of die ander kunnen het dus aanvaarden. Of gij 't ook met een gerust geweten kunt houden ? Dat is een andere vraag. De erflater heeft het aan u besdhikt en het is alzoo van u. Maar als gij meent, dat er onder de z.g. erfgenamen zijn, die het veel meer noodig hebben dan gij, dan spreekt het van zelf, dat u zulks niet met een gerust geweten kunt aanzien. De erfenis is uwe geworden, maar nu is het aan u om met het uwe te doen, wat gij wilt en te bedenken, dat gij voor God geen eigenaar, maar rentmeester zijt.

Antwoord vraag 4. Dat is een vraag, welke men niet generaliseerend kan beantwoorden.

Daar zijn menschen, die dat doen. Zij zeggen, een Christen mag niet verzekeren.

Maar, mag men dan niet zorgen en, voorzorgen in acht nemen ?

Welzeker. Dat is zelfs bevolen. Lees maar, dat de Israëliet een leuning om zijn dak moest maken, opdat iemand er niet afviel en bloedschuld op het huis zou brengen. (Deut. 22 vs. 8).

Lees van den man, die een stootigen os heeft. (Ex. 21 vs 29 en 36). Wil men hieruit een conclusie trekken, dan is het deze: neemt voorzorgen tegen bloedschuld. Geen onbewaakte overwegen, geen gaten of kuilen in den weg, tenzij afgezet, geen gevaarlijke machines zonder afscherming, in de fabriek, enz. enz. Dat is geen verzekering, maar voorzorg. De wet, die zulke dingen beveelt, is dus goed.

Zoo is het ook goed allerlei voorzorg te nemen tegen brandgevaar, inbraak, levensgevaar. Dat is zelfs geboden. Zegt de Heere zelf niet in de gelijkenis, als de heer des huizes geweten had, wanneer de dief komen zou, dan zou hij gewaakt hebben ? (Lukas 12 vs. 39).

En nu komen wij in de buurt van de verzekering. Ten deele is dat ook voorzorg, b.v. ziekteverzekering, levensverzekering voor degenen, die geen pensioen hebben, brandverzekering van iemand, die niet alle voorzorg voor eigen risico kan nemen, b.v. omdat hij de buren brand kan ontstaan, die ook zijn boedel meeneemt. Of een Christen, die beleeft, wat hij belijdt, aan verzekering mag doen ?

Een Christen, die leeft uit de Waarheid, zal ook een voorzichtig man zijn, die zorgt en voorzorgt, en nauwgezet is heel zijn leven. Hij zal zich niet noodeloos in gevaar begeven en een ander niet in gevaar brengen. Het geloof is niet alleen een levenskracht, maar ook een levensbeveiliging. Een Christen, die zoo nauwgezet leeft, aanvaardt ook wat hem overkomt uit Gods hand.

Juist, kan iemand zeggen, en daarom verzekert hij niet. Goed! Maar als hij door zijn toedoen of door zijn niet doen ook derden treft, b.v. zijn gezin, of vreemden ? En hij kan in die schade niet voorzien uit eigen middelen ? Wat dan? Kan hij ook voor die andere menschen geloven ?

Daarom moet men deze dingen voor een ieder persoonlijk laten liggen. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed volkomen verzekerd, ook in deze dingen, bij alles wat hij doet of niet doet.

Antwoord vraag 5. De ethische richting lijdt aan verschillende kwalen, die de theologische ontwikkeling van de laatste eeuwen kenmerken. De gereformeerde theologie is reeds in de tweede helft der 17e eeuw afgezakt in pelagiaansche richting.

Onder invloed van het rationalisme ontstond een piëtistische richting, welke meer nadruk legde op de persoonlijke vroomheid, dan op de leer, en het gansche breede veld der openbaring verengde tot de leer der verlossing.

De theologie werd niet slechts Christocentrisch, maar meer Christologisch opgevat en beroofd van haar invloed op het sociale en politieke leven. „Niet de leer, maar de Heer", werd de leuze. De afkeer van de leer richt zich voornamelijk tegen de gereformeerde leer en nog meer tegen haar aanhangers, want de leer kent men niet meer. Bij uitstek is men gekant tegen de leer der uitverkiezende genade Gods.

Sedert de Barthiaansche theologie haar invloed doet gelden, is de ethische richting verdeeld. Een deel gaat met dit nieuw-modernisme mede, terwijl een ander deel daarvan niet wil weten.

Vraag: In uw artikel in De Waarheidsvriend van 14-11-'46 haalt u de tekst aan : „De mensch zal bij brood alleen niet leven", enz. Van deze tekst hoorde ik eens een andere exegese. Het zou beteekenen : God kan ook andere spijs gebieden (manna in de woestijn !), waarvan we eveneens kunnen leven, al is het geen gewoon brood. Met „Gods Woord" zou hier niet gedoeld worden : de Bijbel, maar Gods machtwoord (Hij spreekt en het is er !), waardoor Hij kan geven wat noodig is voor het lichaam. De predikant, van wien ik deze uitleg hoorde, ontkende geenszins de waarheid van de exegese, als door u bedoeld, op zichzelf, maar ontkende, dat dit een exegese van genoemde tekst is, m.a.w. : „Het is wel waar, maar het stáat er niet". Mijn vraag is : acht u deze uitleg onjuist ?

Antwoord: Sommige menschen willen er niet aan, dat wij uit het Woord Gods zullen leven. Niettemin ontkomt ook de door vrager aangevoerde uitleg niet aan de hoofdzaak. Want wat onderscheid is er tusschen het scheppende machtwoord Gods en het openbarende Woord. Het is trouwens aan geen twijfel onderhevig, dat Ohiristus het geschreven Woord bedoelt. Lees maar, hoe Hij zich beroept op het Woord met een : „daar staat geschreven".

Zij, die een anderen uitleg zoeken, worden daartoe gedreven, omdat zij van oordeel zijn, dat de mensch in den staat der rechtheid uit de algemeene openbaring zou geleefd hebben, en dus niet uit de bijzondere openbaring.

Men behoeft slechts te lezen, dat God Adam in den hof van Eden binnenleidt en tot hem spreekt, om te verstaan, dat de mensch ook in het paradijs niet zonder het Woord Gods is geweest. Calvijn heeft dat wel opgemerkt.

Zoo zou ook de mensch in rechtheid bij brood alleen niet leven, maar bij het Woord, dat uit den mond Gods uitgaat.

Men doet dus goed, hierop te letten. De Bijbel is maar niet iets bijkomstigs. Integendeel, wij hebben Gods Woord noodiger dan brood, indien wij niet eeuwig zullen verhongeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Vragenbus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1947

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's