't Spreken van de Kerk tot de Overheid
na de Reformatie
Om over dit onderwerp iets te weten te komen, heb ik het bekende werk van dr. De Visser „Kerk en Staat" geraadpleegd. Hieruit heb ik verschillende gegevens en uitspraken in het volgende bijeengebracht, die m.i. voor ons onderwerp van beteekenis zijn. Wie uitvoeriger wil ingelicht worden, neme het werk zelf ter hand.
SYNODE VAN EMBDEN.
Bij de voorbereiding van de Synode van Embden in 1571, wordt de Prins van Oranje gekend, omdat men veel hecht aan zijn zedelijken steun. De Prins zendt daartoe Marnix van St. Aldegonde naar de provinciale synode, die den 3den en 4den Juli 1571 te Bedtbur in Gulik gehouden wordt. Marnix brengt in die vergadering verschillende punten ter sprake. Kennelijk komt daarin de wensch van den prins naar voren, dat de kerk zich stelle in den dienst zijner staatkunde. Hij acht harerzijds eenzelfde politieke gedragslijn gewenscht ; hij begeert overleg met alle gemeenten; hij dringt aan op hare erkenning van zijn roeping en recht om de wapenen op te nemen; hij eischt van haar toezicht op de spionnen en alles wat dienen kan tot verlossing van het vaderland ; en eindelijk pleit hij voor het bijeenbrengen van een behoorlijke kas, niet alleen ten dienste van kerkelijke, maar ook van staatkundige belangen. Op deze wijze wenscht de prins de kerk in directen dienst te stellen van den strijd tegen Spanje.
Wat gebeurde nu met deze wenschen ?
Onder de punten en artikelen, die door de gedeputeerden uit de gemeenten Bedtbur en Keulen op de synode te Bmhden worden voorgedragen, komt niets voor van al wat Marnix op de synode te Bedtbur over politieke zaken had voorgedragen. Men gaat het stilzwijgend voorbij. Dit liet zich trouwens verwachten. Want op laatstgenoemde synode had men, toen Marnix ze te berde bracht, niet — zooals ten aanzien van andere punten — besloten dat zij tot de algemeene synode zouden worden uitgesteld, maar beloofd dat men er in gemeente en consistorie zijn best voor doen zou. Men achtte dus toen reeds deze zaken geen geschikte onderwerpen voor een synode. Zelfs schijnt de toezegging van de behartiging er van in gemeente en consistorie meer een beleefdheidsvorm tegenover den prins, dan een daad van beginsel te zijn geweest.
Aan de bedoelde gedragslijn heeft zich de algemeene synode te Embden van 1 October 1571 consequent gehouden. De politiek Ikwam er zelfs niet met één woord ter sprake.
Het eenige, waartoe zij ten aanzien van verraders in de gemeente besloten, was de opdracht aan de gemeenteleden om hun predikant in kennis te stellen met wie in zijne gemeente de verrader speelt. En dan wordt er voorzichtigheidshalve nog aan toegevoegd: opdat men nae synen raet toe sie, wat hierin te doen staet". De kerk, noch eenig lid der kerk, verbindt zich dus in dezen in een enkel opzicht tegenover de overheid. Opmerkelijk is het bovendien, dat men op „verraderije" onmiddellijk liet volgen „oft verleydinghe der zielen". Ligt hierin geen vingerwijzing, dat de kerk het verraad slechts uit zedelijk-geestelijk oogpunt wenschte te beoordeelen en te bestraffen? Doch hoe dit zij, bewijst juist de voorzichtige houding der kerk, inzake het zoowel voor haar als voor het vaderland zoo gevaarlijk kwaad van het verraad, niet hare ernstige begeerte om zich geheel te onthouden van alles wat haar op het gebied der staatkunde voert?
We hebben gezien, dat de Overheid volgens art. 36 de hand te houden had aan de heilige kerkedienst. Uit dezen hoofde vinden we dan ook een spreken van de kerk tot de overheid dier dagen.
KRIJTENDE SONDEN.
Ons zijn menigvuldige verzoeken der synoden aan de overheid bekend tot 't nemen van maatregelen tegen de zoogenaamde „krijtende souden". Onder deze staan wel vooraan die, welke Zondagsheiliging beoogden. Reeds op een der eerste synoden wordt de wensch uitgesproken, dat de overheid, tijdens de prediking des Woords, vooral op den Zondag, het koopen, verkoopen, drinken, werken, wandelen verbiede. De classis Walcheren oordeelde zelfs, dat het op den weg der synode lag den officieren aan te schrijven „dat het volck op zekere peyne op des Heeren dach tot het gehoor des godlijcken woorts gedronghen wordt". De synode voldeed niet aan dit verzoek. Spoedig zien wij kerkeraden, classes, synoden bij herhaling bij staten en magistraten er op aandringen, maatregelen te nemen gelijk in landen, waar de ware gereformeerde religie beleden wordt, op het vieren van den sabbath bestaan. Men wenscht het verbod van het drijven van nering en hanteering ; het houden van verpachtingen en verhuringen ; het voeren van processen ; het maken van rekeningen. Vooral echter verzet men zich tegen het open zijn van winkels en tavernen ; tegen het houden van danspartijen, rederijkersvertooningen, bruiloften, schermuitvoeringen, en ook van markten. En men houdt daarmede niet op, ook nadat ordonnantiën en plakkaten waren uitgegeven, omdat deze al te slap werden uitgevoerd. De schouten en hunne dienaren lieten de insolentiën maar al te veel „om profijtwille" toe. De kerk echter liet niet na, de overheid op haar roeping inzake het schenden van den sabbath te wijzen.
Eveneens wordt er gedurig bij de overheid op aangedrongen, het vloeken en zweren, dansscholen en danskamers, pernicieuze boeken en refereinen te verbieden. Men wenschte, dat ongedoopten niet in de gelegenheid zouden worden gesteld om te kunnen huwen. Tegen willekeurige echtscheiding eischte zij strenge bepalingen. De kerk herinnerde in één woord de overheid onophoudelijk aan hare verplichtingen, ten aanzien van de handhaving der publieke zeden.
Uit al deze voorbeelden blijkt, dat de kerk zich wendde tot de overheid, om de zedewet der tien geboden te doen handhaven, als het vermaan der kerk klaarblijkelijk niet in voldoende mate werd opgevolgd. Met politieke vraagstukken lezen we niet, dat de kerk zich bemoeide. Ook vinden we niet, dat de kenk zich bemoeide met de arbeidsverhoudingen in de gilden.
Nu zou men echter kunnen opmerken, dat de Overheid niet toestond, dat de kerk zich met de politiek bemoeide. Er was langzamerhand een nauwe band tusschen kerk en overheid ontstaan, ja, m.i. een tè nauwe band.
TOENEMENDE INVLOED VAN DE OVERHEID.
Zoo vraagt men verlof aan den prins en de staten om de eerste provinciale synode te Dordrecht in 1574 te mogen houden. Waarom vragen de kerken verlof, terwijl zij toch zeer staan op zelfstandigheid ? Vermoedelijk, omdat de overheid een jaar tevoren de betaling van de predikanten onder hare leiding had genomen. De nooden waren vele. Het verlangen naar evangelieprediking was groot; aanzienlijke steun van overheidswege was onmisbaar. De kerken was er alles aan gelegen om met de overheid op goeden voet te staan. Doch bij dit éene, het vragen van verlof, bleef het dan ook in 1574. Verder gaat de synode in alles haar eigen weg. Alleen wanneer haar regelingen het terrein der overheid raken, rekent zij met haar. Zoo wordt aan de overheid de keuze gelaten uit een dubbeltal voor diakenen, welke ook de administratie moeten voeren over de gasthuizen, H. Geest- en andere armegoederen. Zoo erkent zij ook hare verplichting om, bij het sluiten van huwelijken, met de overheid rekening te houden. Maar daarmede houdt het op. In consistories, classes en synoden gaat de kerk haar eigen gang. Wij merken op, dat deze synode zich niet met de politiek bemoeit.
Op volgende synoden merken wij nu op, dat de overheid langzaam aan meer invloed verkrijgt op de kerk.
Werd in 1574 de overheid in 't geheel niet gekend in de beroeping van een predikant, in 1578 werd bepaald dat hij, na beproefd en verkozen te zijn, aan de gereformeerde overheid moest worden aangegeven ; in 1581 wordt verlangd, dat de overheid het beroep zal goedkeuren ; in 1618 wordt bepaald; dat de verkiezing geschiedt door den kerkeraad, „doch niet zonder goede correspondentie met de Christelijke Overheid". In 1586 geeft de synode uit eigen beweging den magistraat het recht een of twee personen uit zijn midden, mits lidmaten der gereformeerde kerk, in den kerkeraad te doen zitting nemen. Dit besluit is te vreemder, omdat de kerk bijna altijd gestreden heeft tegen het zitting nemen van politieke personen in den kerkeraad.
Op de provinciale synoden verschenen vanaf 1578 meestal een of twee commissarissen-politiek, die gezonden werden door de staten der provincie. De nationale synode te Dordrecht in 1618 was de eerste, waarop commissarissenpolitiek verschenen, dit was in 1578, 1581 en 1586 niet het geval geweest. Uit hun instructie blijkt, dat door hen de synode moest worden geopend. Zij moesten zorgen dat er geen politiek werd behandeld, noch dingen, die beter op een provinciale synode konden worden besproken. Ook de commissarissen-politiek in de provinciale synoden hadden tot opdracht toe te zien dat daarin geen politieke zaken werden behandeld.
KERK EN POLITIEK.
De kerk heeft echter ook niet veel behoefte gevoeld zich met politieke zaken in te laten en het zich zeker niet tot een belangrijke taak gerekend, want anders had ze tegen deze gang van zaken wel geprotesteerd. Al moet erkend worden, dat aan de overheid te groote invloed in het kerkelijk leven werd toegekend, toch waren er ook steeds menschen, die zich hiertegen, zij het zonder succes, verzetten. We behoeven b.v. slechts te wijzen op de beschouwingen van Walaeus tegenover die van Uitenboogaart. De laatste verdedigt een overheidsrecht over en in de kerk (de remonstranten werden door de overheid gesteund), de eerste verdedigt het eigen recht der kerk. Ik lees echter niet bij den eerste, dat de kerk zich met politieke vragen heeft bezig te houden.
Trigland, die ook het eigenrecht der kerk verdedigt, redeneert aldus : maar omgekeerd komen de dienaars niet op het raadhuis om te hooren wat er omgaat en mede te beraadslagen ; hetgeen de magistraat goedvindt, moeten de dienaren, hetzij zij het goedvinden of niet, doen, en doen zij dan ook, voorzoover het met een goed geweten geschieden kan, gaarne. Voetius, die ook met kracht het recht der kerk verdedigt, vindt, dat het de overheid natuuriijk geoorloofd is met haar politiek gezag te verhinderen, dat de kerkelijke mannen in de synode politiek drijven of zaken behandelen, die niet tot hun terrein behooren. En het is hun recht om in zaken, waaraan zoowel een theologisch-kerkelijke als politieke kant is, wat deze laatste betreft, een oordeel uit te spreken volgens de bestaande wetten of volgens hun mandaat.
Voorloopig meen ik uit deze gegevens de conclusie te mogen trekken, dat de gereformeerde kerk het niet tot haar taak rekende zich in te laten met de politeke vraagstukken; utsluitend ter handhaving der zedewet deed zij herhaaldelijk een beroep op de overheid, om deze door haar macht op het publieke terrein te doen handhaven.
We willen een volgend maal bezien, wat Calvijn ons hierover nog te zeggen heeft dit is van te meer belang, omdat onze kerken in den bloeitijd veelszins leerden en in pralktijk brachten, wat hij geleerd had. Nu brengt de praktijk altijd moeilijkheden met zich, zoodat wij het beste inzicht in het gereformeerde standpunt kunnen verkrijgen door te zien wat Calvijn geleerd heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's