Samuël, een zoon der Wet.
FEUILLETON
Een verhaal uit het hedendaagsche Palestina
40)
Het was op dezen Sabbath voor alle „nieuwen" niet zoo gemakkelijk als op den eersten, om zich in de vroolijke en zorgelooze stemming te verplaatsen, die het spreken over de geschiedenissen van alledag en zelfs het denken daaraan verbiedt. „Een goede week — een goed jaar !" zeiden zij, toen zij na het laatste samenzijn zich weer naar hun hutten verspreidden, iederen morgen in de vroegte lag er een zóó sterke dauw over al het kruid en het gras, dat het den nieuwelingen toescheen dat het 's nachts moest hebben geregend, tot zij bemerkten, dat het Gods leiding was ten aanzien van het gewas van dit land, om dat gedurende de zomermaanden slechts door dit zachte vocht te verkwikken. Als de wind zwakker werd, naar het Noorden draaide, en de lucht sterker afkoelde, was de werking van deze dauw echter precies als van een zacht regenbuitje. Bij de helderheid van de lucht ging de hitte van den dag weer gauw over, en de koude van de nachtlucht onttrok aan de winden, die over het land streken, hun vochtigheid, om die dan als dauw weer te doen neerdalen. Op ieder blad glinsterden door de fijne stof laag heen de bevochtigde plaatsen met frisch groen. Maar de dauw was ook neergedruppeld op halmen en stengels, had ook het bovenste gedeelte van sommige wortels verfrischt en hield de planten zoodoende eenige uren lang als in een sluier van damp ; de heele vlakte lag in een soort mist, waar de heuvels als eilandjes uitkeken, todat de zon hooger steeg. Dan veranderde de nevel in sneeuwwitte wolken, die tegen de hellingen van den Karmel omhoog zweefden, om daar boven in het blauw te verdwijnen. En dan zond gedurende heel den dag de zon haar vurige pijlen uit den koperen hemel, terwijl er van een sluier niet de minste sprake meer was.
Vlijtig arbeidden de menschen van Schaloom dag in dag uit om hun velden schoon te krijgen, en zelfs de blinde Suze tastte met haar handen en voeten naar steenen, verzamelde die, en droeg ze naar den grensmuur. Tulpenbloesem liet de ezels en geiten weiden, lette er op, van welke kruiden zij het meest hielden en verzamelde daar voorraad van. Zoodra er een flink stuk land van steenen en puin was gezuiverd, begon het beploegen met de ezels. En daarna konden weer de kinderen zich verdienstelijk maken door 't inzamelen van zeeuien, waarmee de bodem op sommige plaatsen zóó dicht was bedekt, alsof zij met opzet waren verbouwd. Wrevelig smeten de kinderen ze bij massa's over de muren, om ze daar te laten verdorren. Mandel, wiens arm weer hersteld was, spande zichzelf naast zijn ezel voor den ploeg en liet zijn schoonvader den ploegstaart hanteeren, --terwijl Samuel met den eigen rij-ezel het akkerwerk deed. Het zaad werd uit Baitjisrael gehaald : gerst, linzen en boonen. Maar de lui daar schudden het hoofd, toen Mandel vol vroolijk vertrouwen zich ook een hoeveelheid zaaikoren aanschafte. „Hij wil God verzoeken ! In dezen verbranden bodem wou hij koren zaaien ? "
Eind September, toen alles voor den uitzaai gereed gemaakt was, zagen zij verscheiden dagen de wolkenmassa's zich vormen, die den vroegen regen schenen te voorspellen. Eerst daarna mocht het kostbaar goed aan den bodem worden toevertrouwd. Maar het waren alleen maar „Nijlwolken", zooals de menschen uit Baitjisrael ze noemden. Ze heetten afkomstig te zijn van de groote overstroomingen van den Nijl in het Zuidwesten, en het was haar gewoonte om als nevels weer voor den zonnegloed te verdwijnen. Het hemelwater bleef nog uit, en in plaats daarvan begon de Sirocco te waaien, die droge, heete landwind, die uit het Oosten blaast. Hadden die van Baitjirael hun niet gezegd, dat dit alles zoo zou moeten gebeuren, dan zou de moed bij al de nieuw ingekomenen stellig verlamd zijn, hun ziel zou zijn verslapt en al hun vertrouwen in een gelukkige toekomst zou thans ineengestort zijn. Want alles wat er nog boven den grond stond, werd door zijn adem gedood, de planten verdorden, krompen ineen en lieten het hoofd zakken. Toen hij tot storm aanzwol, vulde hij de heele lucht met stof. Dieren en menschen vluchtten binnenshuis en vreesden met grooten angst. Zij hoestten allen en keken onder dichtgeknepen en roode oogleden uit. Het was de woestijnwind, die ook de velden van de vlakte van Israël weer tot een woestenij zou maken, als hij heerscher bleef.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1947
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's